Het is goed om eens in de zoveel tijd
een rit uit te zitten over de sporen van
mensen voor ons, over een weg die zelf weet
waar naartoe. Met een bel die betekent:
wij zijn de wagen die, al zouden we het willen,
niet wijken kan en we komen eraan, gaan recht-
door, dus ga aan de kant. Want pas als de route
zichzelf rijdt, kunnen wij echt op reis.
Dit gedicht is geschreven op verzoek van Gemeente Nijmegen voor
een debat over de terugkeer van de tram naar de stad. Het is een
reactie op een bekende limerick van Maurice Evan Hare:
There once was a man who said, ‘Damn!
It is borne in upon me I am
An engine that moves
In predestinate grooves,
I’m not even a bus, I’m a tram.’
Reacties
Nog geen reacties