Uit Mijn Scriptie #1: Gérard Genette en het structuralisme

Momenteel heb ik mijn scriptie weer opgepakt. Mijn scriptie gaat over paratekst en de invloed van digitale technologieën (met name internet) daarop. Sommige stukken, bijvoorbeeld over hyperlinks en weblogs, leken me interessant genoeg om op dit blog te plaatsen. Daartoe is het misschien wel handig om er wat meer achtergrond bij te geven, voor degenen die daar behoefte aan hebben. Ik zal dus de komende weken een selectie uit mijn scriptie hier plaatsen, zodat u allen weet wat mij op dit moment bezig houdt. Deze week een stuk over de man die de theorie van parateksten geformuleerd heeft: Gérard Genette. Het is wat lang en wat droog misschien, u bent gewaarschuwd!

De geschiedenis van de geesteswetenschappen in de twintigste eeuw is er een waarin stromingen elkaar in rap tempo opvolgen en bekritiseren, zonder elkaar direct overbodig te maken. Veel benaderingswijzen blijven simpelweg naast elkaar bestaan. Ook de literatuurwetenschap heeft in die eeuw een hoge vlucht genomen, om zich daarna als uiteenspattend vuurwerk in alle richtingen te verspreiden. Ze bracht ons in slechts enkele decennia begrippen zoals ‘intertekstualiteit’, ‘focalisatie’ en ‘narratief’, maar ook bijvoorbeeld de dood van de auteur. Een aantal van deze begrippen – die tegenwoordig deel uitmaken van het basisvocabulaire van de literatuurwetenschapper – is afkomstig van Gérard Genette. Zo ook het begrip ‘paratekst’.

Gérard Genette

Gérard Genette werd in 1930 geboren te Parijs. In 1954 haalt hij zijn diploma in de klassieke letteren aan het École Normale Supérieure. Van 1959 tot 1960 geeft hij les in het voorbereidend onderwijs. Daarna wordt hij assistent aan de faculteit Franse letteren van de Sorbonne. In 1967 wordt hij directeur van de studies in esthetica en poëtica aan het École des Hautes Etudes en Sciences Sociales. Hij is een directe tijdgenoot van Jacques Derrida, Pierre Bourdieu en Christian Metz. In 1970 start hij met Tzvetan Todorov en Hélène Cixous het invloedrijke blad Poétique, dat een belangrijke spreekbuis wordt voor schrijvers als Derrida.

Zijn werk lijkt sterk beïnvloed door dat van Derrida en toont daarnaast een zekere verwantschap met het werk van Roland Barthes. De ‘dood van de auteur’ vormt het vertrekpunt van Genettes werk. De aanwezigheid en afwezigheid van de auteur spelen in zijn Figures I & II een belangrijke rol. In de jaren 1970-1980 neemt hij afscheid van die thema’s en richt zich onder andere op het ontwikkelen van een model waarmee vertellingen geanalyseerd kunnen worden. Vooral zijn Figures III en Discours du récit zijn invloedrijke werken op dit gebied. Een selectie daaruit wordt vertaald in het Engels als Narrative Discourse: An Essay in Method en wint in die vorm nog meer terrein.

Genette wordt vaak in verband gebracht met het structuralisme. In Seuils [het boek over paratekst] lijkt hij een gematigd structuralistische benadering te handhaven. Om een beter begrip te krijgen van het werk is het verstandig kort in te gaan op het structuralisme als stroming.

Structuralisme

Over het algemeen laat men het structuralisme beginnen bij de Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure. Saussure doceerde van 1906 tot 1911 taalwetenschap in Genève. Zijn benadering was een breuk met de manier waarop daarvoor taalwetenschap werd bedreven. Het is niet van belang om hier al te diep in te gaan op die verschillen. Ik zal hier drie punten naar voren brengen die van belang zijn voor het ontstaan van het structuralisme en daarmee de academische achtergrond van Genette.

Saussure was ontevreden met de linguïstiek in zijn tijd. Hij wilde een boek schrijven dat het leven terug blies in de discipline. Het boek heeft hij zelf nooit kunnen schrijven, maar een tweetal studenten werkte collegeaantekeningen uit tot Course de linguistique générale. Dat boek vormt de blauwdruk voor het vroege structuralisme.

Allereerst verplaatst Saussure daarin de aandacht naar hedendaagse taal. Linguïstiek was tot dan toe voornamelijk een bestudering van de geschiedenis van de taal. Men geloofde dat er een soort van ‘oertaal’ was die ten grondslag lag aan alle moderne talen. Het Sanskriet werd hier bijvoorbeeld opgevoerd. Dit soort studies zijn diachronische studies. Saussure wilde echter dat de linguïstiek zich bezighield met hedendaagse, natuurlijke talen. Zo zou elke taal een eigen linguïstiek moeten krijgen. Hij stelt dus een synchronische methode voor.

Ten tweede – door zich op taal in de hedendaags vorm te concentreren – kwam de focus ook te liggen op elementen van een taal en de verhoudingen daartussen. Taal was volgens Saussure op een bepaalde manier georganiseerd; tussen de haar verschillende elementen liggen relaties die tot uiting komen in een structuur.

Ten slotte is een belangrijk element van Saussures theorie dat buiten die structuur – buiten de relaties tot de andere elementen – de individuele elementen zonder betekenis zijn. Het is in hoe ze verschillen van andere elementen, dat ze betekenis krijgen.

Een bekende metafoor voor zijn visie op taal is het schaakspel: op elk moment in het spel is het alleen van belang hoe de elementen zich tot elkaar verhouden. Het is niet van belang hoe de opstelling ontstaan is, om het spel te begrijpen. Tevens kan elk element binnen het spel ingeruild worden (bijvoorbeeld een pion voor een vingerhoed) zonder dat er iets verandert: het spel bestaat immers niet bij gratie van de stukken zelf maar de differentiële relaties die er tussen bestaan. [Een veel hippere bio van De Saussure vindt u hier.]

Hoewel ze bedoeld waren als nieuw model in de linguïstiek, slaan de uitgangspunten van Saussures Course al snel over naar andere disciplines, met name binnen de sociale en geesteswetenschappen. Differentiële relaties worden de sleutel tot begrip bij structuralisten. Het model dat gebruikt wordt door Saussure vinden we terug in de antropologie van Lévi-Strauss, de sociologie van Pierre Bourdieu, de psychoanalyse van Lacan en de literaire kritiek van Roland Barthes.

Die laatste is bekend om zijn essay La mort de l’auteur, waarin hij zich verzet tegen het naast elkaar leggen van werk en biografie van een auteur. In zijn essay pleit hij voor het loskoppelen van auteur en tekst bij de interpretatie van een werk. Hier zien we duidelijk elementen van Saussures model terug: het afscheid van de auteur is een afscheid van de historische benadering van interpretatie. Door de auteur dood te verklaren verplaatst Barthes de aandacht naar de configuratie van de tekst, zoals Saussure de aandacht verplaatste naar de hedendaagse configuratie van de taal.

Genette en het structuralisme

Genettes structuralisme komt tot uiting in de ondermijning van singulariteit in de literatuurwetenschap: hij verzet zich ertegen dat auteurs en boeken worden opgevat als autonome entiteiten. Enerzijds doet hij dit binnen het werk zelf door een verhaal te beschrijven als een relatie tussen verschillende elementen. Anderzijds doet hij dit in de literatuurgeschiedenis door een tekst niet als individuele gebeurtenis op te vatten, maar te wijzen op de verhoudingen tussen tekst en het literaire veld van uitgevers, schrijvers, wetenschappers, boekhandels, lezers en de pers waarbinnen de tekst staat.

De dood van de auteur vormt en vertrekpunt in Genettes academische werk. Eerder haalde ik al aan dat in zijn Figures I en II de aanwezigheid en afwezigheid van de auteur het hoofdthema vormen. In Figures III en Nouveau discours du récit past hij het structuralistisch model toe op verhaalanalyse. Hij laat zien hoe verschillende aspecten en niveaus van een verhaal zich tot elkaar verhouden. Het is een ontwerp voor een verhaalanalyse die zich niet langer op biografische gegevens de auteur beroept, maar laat zien hoe verschillende elementen zoals onder andere stem, tijdsduur, repetitie en perspectief zich tot elkaar verhouden en samen een verhaal constitueren. Een literair werk is niet terug te brengen tot een singuliere vertelling, maar bestaat uit veel verschillende elementen die tezamen een verhaal maken.

In 1979 verschijnt Introduction à l’architexte, waarmee Genette een nieuw onderzoeksveld aansnijdt. Hij gaat zich vanaf dat moment bezighouden met ‘tekstuele transcendentie’: de manier waarop een tekst in relatie staat tot de buitentekstuele wereld. Tot dit onderzoeksdomein behoren:

Intertekstualiteit: de relatie van coëxistentie tussen twee of meer teksten.
Metatekstualiteit: de relatie tussen een tekst en het commentaar op die tekst.
Hypertekstualiteit: het bovenop plaatsen van de ene op de andere tekst, zoals in een parodie of pastiche.
Architekstualiteit: de relatie tussen een tekst en de verschillende ‘discours’ waar de tekst toe behoort.
Paratekstualiteit: toegangen tot een tekst die wel verbonden zijn aan, maar niet deel uitmaken van de tekst zelf.

Door deze relaties aan te halen, ondermijnt Genette de ‘historische opvatting’: een literair werk is niet een singulier element in een hele geschiedenis van literatuurgeschiedenis, maar verhoudt zich zowel tot andere teksten als niet tekstuele elementen. Hier is een duidelijke verwantschap met Bourdieu te herkennen.

We zien in Genettes oeuvre dus twee structuralistische tendensen: de relatie tussen verschillende elementen binnen een tekst en later de relatie tussen die tekst en de ‘buitenwereld’. Zijn onderzoek naar paratekstualiteit valt binnen dat laatste domein

Daarover meer, de volgende keer.

Advertenties

4 thoughts on “Uit Mijn Scriptie #1: Gérard Genette en het structuralisme

  1. Mmm 2 jaar literatuurwetenschap bondig samengevat. Ik kijk uit naar de rest. Is de theorie van het schaakspel van Saussure niet ook één van Nietsche (of was het Heidegger?). Enfin.
    Dingen om over door te bomen. Vooral de dood van de auteur is verwarrend, je zou denken dat met het internet geen auteurs bestaan. Maar hier wordt de structuralistische literatuurkritiek bedoelt.

  2. Ja, bondig bondig. Een van de eisen aan een masterscriptie is dat je de theorie kunt situeren in een bredere context van literatuurgeschiedenis. Dat is zo wel gelukt geloof ik.

    Bij mijn weten is er geen schaakspelanalogie bij Nietzsche of Heidegger en als dan zou het meer iets voor Heidegger zijn, als punt van kritiek dat we de dingen alleen als voorhanden gebruiksobjecten zien. Zoiets. Natte vingerwerk na drie jaar filosofie gestudeerd te hebben.

    Je opmerking over de dood van de auteur begrijp ik niet helemaal. Het is in deze scriptie vooral een aangrijpingspunt om kritiek op Genette te formuleren, maar daar kom ik op dit blog denk ik niet aan toe. Nogal droog.

  3. Pingback: Uit Mijn Scriptie #2: Paratekst, een definitie « De Nieuwe S

  4. Pingback: Uit Mijn Scriptie #5: Uitgeversepitekst « De Nieuwe S

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s