Schreber

volkstuintjes

Eenrichtingsverkeer is een fictie. De manier waarop we ons hier voortbewegen heeft meer weg van een flipperkast tijdens de multiballronde. Alles beweegt alle kanten op, stuitert tegen de muren en probeert zoveel mogelijk uit de goot te blijven. Ik weet wel beter; ik zit een groot deel van de dag op de stoep met Anna. De goot is zo erg nog niet.
Iedereen moet altijd ergens zijn en er is altijd wel wat te doen. Daar kennen we genoeg mensen voor. De truc is genoeg vaart te krijgen om er terecht te komen. Tenminste, als je een plek op de gastenlijst hebt. Voor de feesten van Daniël werd ik al sinds het begin uitgenodigd. Ik ging alleen bijna nooit.

Daniël was de eerste persoon die ik kende, die een burn-out van feesten had gekregen. In de tijd dat regelmatig georganiseerde feesten in grote discotheken en alternatieve kelders nog het ding waren, was hij er altijd te vinden. Hij dronk koffie als een vrachtwagenchauffeur en slikte hier en daar nog wat om maar vooral niet naar bed te hoeven gaan. Daniël was overal op dat soort avonden en iedereen kende hem. Toen kwam de dag dat hij zichzelf in de fik probeerde te steken op de Grote Markt. Ik weet niet of er echt een verband was, maar vlak daarna kwam het rookverbod in de horeca en gingen de feesten ondergronds.
Hij schijnt een tijd in het ziekenhuis gelegen te hebben. Er waren althans verhalen van en over mensen die hem zogenaamd bezocht hadden. Dat het goed met hem ging, dat hij snel weer de oude zou worden. Precies daarom geloofde ik het niet. De hele situatie was te confronterend geweest, ook al leefde niemand van ons zoals Daniël. En hij is niet meer dezelfde geworden daarna.
Nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen, was hij wekenlang nergens te bekennen. Toen dook er in het voorjaar de eerste uitnodiging op, voor een tuinfeest in zo’n park met volkstuintjes. Diezelfde zomer nog schreef hij zich onder mijn naam in voor het perceel ernaast. Niet dat ik hem zo goed kende; hij kende dezelfde mensen als ik. Ik was in die tijd een van de weinigen van onze vriendenkring die met een vast woonadres bij de gemeente stond ingeschreven en de enige die niet bang was dat hij wiet zou verbouwen.

Je kunt niet uitnodiging na uitnodiging afwijzen en verwachten niet iets belangrijks te missen. Bovendien wilde Anna graag weer eens gaan. Het was al de derde dag op rij dat de temperatuur boven de dertig graden uitsteeg en we konden volgens haar wel een uitstapje gebruiken. De stad rook naar zweet en alles wat je aanraakte was vochtig. We hadden het over een hittegolf, maar dat klopte niet helemaal. Nog niet. Toch, ik weet zeker dat ik die dag vliegen uit de lucht zag vallen.
Daniëls volkstuin lag buiten het centrum, in het midden van een park waar alleen mensen kwamen om honden uit te laten. Het was ons niet gelukt om een lift van iemand te krijgen van iemand die ging en het was geen optie om zelf iemand uit te nodigen. Daniël hield daar niet van. We moesten lopen. Ik probeerde er nog onderuit te komen, al wist ik zelf ook niet wat we dan beter konden gaan doen.
‘Ach kom, je haat hem net zoveel als ik.’, zei ik.
‘Haten? Haat je hem echt?’
‘Nee, oké. Ik heb gewoon het gevoel dat hij alles, maar dan ook alles te serieus neemt. Dat stoort me. En hij overdrijft. Alles.’
De eerste keer dat ik er was – voordat hij het tweede perceel gehuurd had – kon hij niet ophouden over zijn burn-out en dat het allemaal zo ontzettend uit de hand gelopen was. ‘Het was op een gegeven moment zo ver, dat ik seizoenen alleen nog maar herkende door de verandering van programmering op TV’ had hij gezegd. Volgens hem was zo’n volkstuin precies dat wat hij nodig had om zijn gewone ritme weer te herstellen. ‘Dag en nacht, de seizoenen. Gewoon mijn schema weer op een lijn met moeder natuur.’ Ik heb een hekel aan mensen die ‘moeder natuur’ zeggen, altijd al gehad. En aan mensen die overdrijven. Daniël had een heel tuincentrum leeg gekocht. Hij had er een hele onderneming van gemaakt dat hij nu de trotse huurder van een volkstuin was. Van zijn laarzen en overall via zijn regenton tot zijn gereedschap: alles was van de beste kwaliteit en bovendien in hetzelfde kleurenpatroon gemaakt.
Na drie kwartier lopen (we bewogen ons nogal langzaam) waren Anna en ik bij zijn tuin aangekomen. Daniël had me al eerder uitgelegd hoe het met de regels zat, maar hij deed het nog maar eens. Dat was zijn routineuze begroeting voor iedereen die op bezoek kwam.
‘Je moet minimaal zestig procent van je tuin gebruiken om eetbare planten te verbouwen. Volkstuinen zijn niet voor sierplanten gemaakt, maar je komt er makkelijk omheen: die druiven daar ga ik bijvoorbeeld echt niet eten, maar ze zien er goed uit, toch?’, zei hij terwijl hij met zijn arm een zwaaiend gebaar over zijn tuin maakte. Toen pas vroeg hij of we wat wilden drinken. Zijn tuin noemde hij ‘een betamelijk-anarchistisch meesterwerk.’ Het grootste deel ervan was bezaaid met munt. Verder had hij nog een kleine kas van twee bij één met tomaten en wat pepertjes, een grasveld en een klein schuurtje waar hij ’s zomers in sliep. Wie op Daniëls feesten kwam, kon alleen Mojito’s of Bloody Mary’s krijgen, niet-drinkers tomatensap of spa met munt en citroen. Hij had – na al zijn gezeur over te veel feesten – een feesttuin gecreëerd. Een oude hond leert geen nieuwe trucjes.
Dit trucje kende Daniël, dat moest ik hem nageven, maar hij nam het te serieus. Ik voelde me nooit gemakkelijk op zijn feesten. Het had de gedwongen ontspannen sfeer van te hippe lounge cafés, maar dan heel landelijk. Anna voelt zich nergens en nooit ongemakkelijk, daar is ze te nieuwsgierig voor. Daniëls tuin vond ze fascinerend. Het hele idee van volkstuinen vond ze fascinerend. Ze raakte er niet over uitgepraat, maar dat heeft ze wel bij meer dingen. Er waren veel onbekende gezichten en volgens mij werd Daniël er zelf ongemakkelijk van. Anna praatte uiteraard met iedereen en die dag leerde ik veel mensen kennen. Een beetje dan.

Toen we met zowat iedereen gepraat hadden, wilde Anna de rest van de tuinen bekijken. De burgerlijkheid van alles viel wel mee. Er zaten wel wat tuinen tussen waarbij alle planten hun eigen bordje met afbeelding hadden. Er zaten wel hier en daar een aantal oudere paartjes in matchende tuinoutfits in de grond te schoffelen en er barbecuede hier en daar een gezin, maar het viel mee. Er waren best stijlvolle volkstuintjes. Wat Japanse thema’s, minimalistische en Zweedse. Mijn favoriet was een soort miniatuur van een botanische tuin. Er stonden allerlei planten die ik nooit eerder in mijn leven had gezien en er was geen enkele manier om uit te maken welke nu tot de zestig procent eetbare bebouwing hoorde. Ik denk dat de eigenaar de vereniging ook maar iets wijs maakte. Het had iets van een ark voor planten; iemand die in zijn eentje de overleving van plantensoorten op zich nam. Het had iets heroïsch, al wist ik niet eens wat voor planten het waren. Voor hetzelfde geld kwamen de planten gewoon uit een tuincentrum, misschien wel uit de supermarkt. Toch, het is goed om ergens in te geloven en bovendien was die tuin in al zijn rommeligheid sowieso mooi. Anna was het met me eens.
Aan het einde van het tuinpark stond een bankje in een cirkel van kiezels. Vanaf het bankje konden we de hele tuin zien.
‘Er zijn minder tuinkabouters dan ik had verwacht.’, zei ik tegen Anna.
‘Dit is hoe het vroeger geweest moet zijn.’, antwoordde Anna.
‘Vroeger?’
‘Voor landen en steden en zo. Toen iedereen zijn eigen stukje land had. Die verschillen. Iedereen doet zijn eigen ding.’, zei ze.
‘Ik denk niet dat het ooit zo geweest is hoor.’
Ze zweeg even en zei toen: ‘Dan moet het ooit zo zijn.’
We zwegen en bleven zitten. Anna heeft dit soort momenten, dat ze wegdroomt. Ik probeer altijd met haar mee te gaan. Het lukt niet altijd.

Toen hoorden we het glas kapot gaan. Terug in Daniëls tuin was de helft van de gasten aan het bellen en de andere helft druk rond aan het lopen. Op de scherven van de tomatenkas lag een jongen, een tagger die Anna en ik nog hadden gesproken aan het begin van het feest. Het was niet helemaal duidelijk wat bloed en wat tomatenpulp was, maar het zag er rood. Daniël stond naast de kas aan de grond genageld, alsof hij zijn eigen tuinkabouter was. Uit wat ik kon opvangen, maakte ik op dat de jongen het tuinhuis met een WC verward had en over Daniëls slaapzak had gepist. De rest werd samengevat met ‘door het lint gaan’. Toen de ambulance kwam dacht ik er nog even over na om ‘zie je wel?’ tegen Anna te zeggen, maar het leek me niet een passend moment daarvoor.
In plaats daarvan zeiden we gewoon niets meer. De terugweg ging bergop. Dat is altijd zo; alle straten hier zijn vals plat. Eigenlijk is elke dag een hellingproef. En het wordt alleen maar warmer.

P.S.: De Nieuwe S is alweer een jaar mijn webstek, vandaag.

Advertenties

19 thoughts on “Schreber

  1. gefeliciteerd en bedankt voor het leuke verhaal dat vooral naar het einde toe steeds sterker wordt (verder heb ik daar geen verstand van).

  2. Schitterend! Vooral “Ik weet niet of er echt een verband was, maar vlak daarna kwam het rookverbod in de horeca en gingen de feesten ondergronds.”
    alleen zou ik ‘niet-drinkers’ vervangen door ‘geheelonthouders’ ofzo. Mooi gedaan.

  3. Dankje. Hij is geenszins op je gebaseerd. Ik speel wel met het idee om een absurd sleutelverhaal in serievorm te schrijven voor dit blog, getiteld De Schrijversplantage waarin jouw personage Martijn Edegem heet.

  4. Pingback: Schreber - Horecatrend

  5. Dit doet me heel erg aan een van mijn vroegere lieverlingsboeken denken: Das fliegende Klassenzimmer van Erich Kästner denken, waarin de Nichtraucher in een oude treinwagon woont in een volkstuintje. Ken je dat?

    Heel mooi!

  6. Pingback: Maarten Inghels | Daniël

  7. Uiteraard heb ik nog aanpassingen gemaakt. Het zou een beetje flauw zijn om om commentaar te vragen en er dan niks mee doen. Ik heb je kritiek in deze versie verwerkt, al dan niet hoe jij het voorstelde.

    Zal ik’m voor je printen?

  8. Ik vind je Anna reeks echt super! Je schept een beetje een licht surrealistische sfeer, ookal ben ik er nog niet uit waar dat precies aan ligt… De metaforen misschien. Of de details waar je op in gaat, zodat het grote geheel nog een beetje mysterieus blijft. En wat dan zo mooi gecontrasteerd wordt door die kleine verwijzingen naar het heden, zoals het rookverbod.
    Ja, ik vind het lastig de verhalen te plaatsen, maar niet op een vervelende manier. Op een hele goeie intrigerende manier. Arjen Lubach heeft hetzelfde effect op mij.

  9. Mooi zo. Het wordt uiteraard een roman. En dan mag jij die gaan kopen en ga ik die signeren. :D

    Licht surrealistisch kan trouwens wel. Heel heel vroeger was ik groot fan van magisch realisme, dat je toch wel als ‘licht surrealistisch’ kunt typeren.

  10. Oh oh oh, mag ik dan het portret van jou voor op de achterflap schieten? Je weet wel, zo’n zwart/wit foto waarop je peinzend en schrijverig kijkt!
    Joost en ik hebben een keer een hele fotosessie van achterflapfoto’s van elkaar gemaakt. Dan hadden we die alvast maar, mochten we ooit een roman schrijven.

    Ik kijk serieus al uit naar de publicatie van je roman! Ik vind dat je echt al heel mooi op weg bent. Ben benieuwd hoe de fragmenten die ik tot nu toe hier heb gelezen als geheel gaan worden/passen.

  11. Pingback: Littekenaars « De Nieuwe S

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s