De Boomerang

In de zomermaanden draai ik nachtdiensten in de Boomerang, een jeugdherberg aan de rand van het centrum. De nachtdienst bestaat vooral uit deuren open doen, dronken gasten (veelal Britten) om stilte manen en was opvouwen. Voornamelijk was opvouwen. Een enkele keer is er een late check-in. Het beleid is dat we daar niet aan doen, maar het beleid is een soort richtlijn, is mij verteld. De eigenaar, Fred, komt ’s nachts alleen hierheen als de politie voor de deur staat. Late gasten geven ruime fooien, die wij de ‘nachttoeslag’ noemen. De kots in de kamers ruimt de ochtendploeg wel op. Aan het eind van mijn dienst zet ik de cornflakes klaar, de melk, het brood, salami, kaas, kleine kuipjes jam, giet de jus d’orange van pakken in kannen, zet de koffie aan en ben de deur uit voordat de eerste katers de trap afstrompelen.

Fred heeft geprobeerd zoveel mogelijk ruimtes rendabel te maken. Overal waar ook maar een veldbed in past, kun je hier slapen. Op de begane grond heb je alleen een bezem-/meterkast en een grote kamer die ’s ochtends de ontbijtzaal is en de rest van de dag de lounge. Mijn kleine receptie/keuken/washok wordt van de lounge gescheiden door een streep die we liefkozend ‘de drempel’ noemen.
Het meubilair in de lounge is opgetrokken uit riet, vermoedelijk een paar decennia geleden. Het riet steekt overal uit en de klachten over gescheurde kleren vergoeden we met glimlachen. De richtlijn is dat je voor zestien euro per nacht niet al te veel te klagen hebt. Hier en daar heeft een overactieve medewerker (van wat alleen maar de middagdienst kan zijn) geprobeerd het riet in zijn oorspronkelijke vorm terug te trekken. Op sommige plekken is het touw er zo dik omheen gedraaid dat er geen riet meer zichtbaar is. Op het touw zitten koffie- en jamvlekken. Aardbei. In de lounge hangen grote witte zakken met priklichtsnoeren erin. Anna zegt dat het hier op een uitgedroogd aardbeienveld lijkt met lichtgevende heteluchtballons erboven. Dat vindt ze mooi.

De Boomerang is een rotshol, maar in veel opzichten beter dan mijn eigen slaapplek. Het voornaamste zijn de hoge plafonds. Het pand komt uit een tijd dat huizen nog gebouwd werden zonder gebrek aan ruimte. De lounge wordt minder warm dan mijn eigen kamer en er hangt sfeer van dat je hier niet weg hoeft, terwijl niemand echt iets anders doet. Iedereen gaat hier voornamelijk weer weg. Iedereen behalve Anna en ik dan. Ik vanwege de hoge plafonds, Anna vanwege de grote vloeren.

Anna heeft in de zomer een bijbaan in een fotozaak. Niet alleen de horeca kent hoogseizoen. Ze ontwikkelt foto’s ‘van mensen die wel op vakantie gaan.’ Ik weet niet of dat laatste als verwijt bedoeld is, maar ik geloof van niet. Anna kan soms gewoon heel feitelijk zijn. En ze steelt foto’s. Om de zoveel foto’s valt een dubbele afruk niet op. ‘Misdrukken’ noemt Anna ze.

Elke dag heeft ze een ander thema. De ene keer laat ze foto’s mislukken waar stelletjes opstaan. Dan weer gaat ze voor hele hoge gebouwen. Ze heeft verzamelingen van foto’s uit het vliegtuigraam, foto’s van de zee en een collectie duiven.

Vanavond was het Berlijn, haar favoriete verzameling. Berlijn trekt genoeg bezoekers om een behoorlijke collectie aan te leggen. Frankrijk ook, maar dat is volgens Anna niet interessant qua kleurenpalet. ‘En zacht, Berlijn is meer een strak logo.’ De verzameling bewaart ze in een envelop die ze uit gratis stratenkaarten gevouwen heeft. Die hebben we hier van alles wat een beetje stad mag heten. Er is altijd een of andere club die een gratis kaart fabriceert en er bijvoorbeeld op zet waar alle koffieketens en internetcafés te vinden zijn, met strakke logo’s.

‘Het is net alsof ik er woon’, zei Anna. Ze hing onderuitgezakt in een touwen stoel met riet en aardbeienvlekken. Ze hing zoals je hangt als de temperatuur ’s nachts niet onder de 22 graden zakt. Ze had de misdrukken van vandaag in een waaier op de koffietafel gelegd. Veertien misdrukken waren veel volgens haar baas, maar Anna had overtuigend de hitte de schuld gegeven.
‘Ik weet denk ik zelfs bijna hoe het weer werkt daar.’
‘Hoe wat werkt? Waar?’
‘Gewoon, leven daar. Berlijn. Geef me eens een naam.’
‘En de was dan?’, vroeg ik.
Als ze me mij om een naam vraagt, ben ik haar voor wat uren kwijt. Dan komt de hele collectie verspreid te liggen over de vloer van de lounge en heeft ze de volgende ochtend een verhaal klaar.
‘Gewoon een naam.’
Ik pakte de map met paspoortkopieën en nam de bovenste naam, maar Anna wilde een mannennaam. Ik vond ‘David Layne’ en raakte Anna om precies 0.43 uur kwijt.

Wat we door de jaren heen Anna’s ‘exposities’ zijn gaan noemen, begint als een hoop rommel – foto’s, tekeningen en metrokaartjes – op de vloer. Je zou het zo kunnen noemen, maar ik noem het meestal ‘mozaiëk’. Anders dan anderen van onze generatie, is Anna goed met kleuren.

Zoals elk mozaïek een eerste steen kent, draaide dit werk om David Layne. Anna had drie van zijn foto’s laten mislukken en had per toeval een vierde gevonden waar hij in de achtergrond van andere toeristen figureerde. Alle andere foto’s waren zogenaamd door David genomen, hetgeen zijn afwezigheid erop moest verklaren. Er was een onduidelijk zelfportret in een raam van een voorbijrijdende bus, dat we als vijfde foto lieten gelden.

David liep door Berlijn alsof hij er geboren was, maar was dat volgens Anna zeker niet: ‘Hij heeft gevoel voor straten.’ Zijn route liep rond 1.31 uur al meerdere malen langs de televisietoren en ook een aantal keer door een park waar het weer om de seconde leek te wisselen. Ook de mode veranderde duidelijk. Ik weet het aan het feit dat Anna alweer drie jaar aan deze collectie had gewerkt. Anna weet het aan de wispelturigheid van Berlijn. Al rond 2.34 uur begon het langzaam avond te worden in het mozaïeken Berlijn. Zodra de nacht valt, komen er steeds meer gekken naar buiten. Of in dit geval: naar binnen.

Ik had Anna graag helemaal zien bouwen, maar er was een late check-in. Ik schatte de nachttoeslag op vijftig procent en wees hem zijn bed. Late gasten komen meestal bovenin een of ander stapelbed aan de gangkant van de slaapzaal. Het is de plek waar je het meeste wakker wordt. Na zijn reactie op de hem toegewezen slaapplek kreeg ik al zo’n vermoeden dat de nachttoeslag hoger had moeten zijn, meer richting de zeventig. Twintig minuten nadat ik hem toch op dat bed had achtergelaten, kwam hij kwam hij dat vermoeden bevestigen. Hij had geprobeerd te douchen.
‘Het koude water is heet.’, zei hij.
‘Heeft u geprobeerd of hete water koud is?’
‘Wat?’
‘Nee ja, het is gewoon heet buiten. De zon de hele dak op dat dak. De leidingen zullen wel warm geworden zijn. Onze excuses.’ Hoe alleen je ook bent, achter de receptie praat je altijd in meervoud. ‘Misschien moet u de kraan even laten lopen.’
Om 4.39 uur kwam hij om iets te drinken vragen. De douche was niet koud geworden en het was hier zo heet. Ik vertelde hem dat het overal heet was in de stad. Ik zei nog ‘hittegolf’, maar hij wilde toch de baas spreken.
‘Dan zult u de politie moeten bellen.’, zei ik, waarop hij antwoordde door de stapel met gratis stratenkaarten en het gastenboek in een veeg van de balie te gooien. Een paar kaarten vielen op Anna’s expositie, die ondertussen al over de drempel van de lounge reikte. Ze pakte de kaarten op en ging onverstoord verder. Nog even en de ontbijtzaal zou vol liggen met foto’s en tekeningen.

Het was dan ook meer om Anna dan om te voorkomen dat de politie en Fred zouden komen, dat ik de man een biertje aanbood. ‘Voor de verkoeling. Met onze excuses.’
Het beleid is niet helemaal duidelijk wat bier betreft. Er zijn veel interpretaties van de richtlijn, sommige daarvan sluiten andere uit. Wij van de nachtploeg hebben een ruimere kijk op die dingen. Alles wat in de koelkast staat valt onder ‘ontbijtspullen.’

Nadat ik hem het tweede blikje bier gaf, droop hij af naar zijn stapelbed aan de gangkant. ‘De kots in de kamers ruimt de ochtendploeg wel op.’, dacht ik nog. Of misschien zei ik het tegen Anna. Anna vroeg in ieder geval of ik een kop thee voor haar wilde zetten, zo heet mogelijk.

Het mozaïek omvatte veel rondjes Berlijn en sloeg soms stukken over, zoals goede verhalen hele scènes vergeten. Ik stelde voor dat we er foto’s van maakten, maar volgens Anna was het nog niet af.
‘Daar’, wees ze, ‘hoort nog een foto.’
Een gat van tien bij vijftien centimeter. Anna had geen foto meer over. Of ze loog. Ze steelt niet alleen, ze liegt ook nog wel eens. Anna heeft nog nooit een mozaïek afgemaakt. Er mist altijd een stuk van tien bij vijftien centimeter, hoeveel misdrukken er ook bij komen. Te ruim voor een cel op schaal, de verkeerde verhoudingen voor een graf. Het is hoe iets eruitziet dat nog niet af is. Een goed excuus.
‘Een mozaïek zonder laatste steen blijft toch een collage.’, zei Anna en Berlijn werd weer in zijn envelop van straatkaarten opgeborgen.

Rond zeven uur kende zette ik de cornflakes klaar, de melk, het brood, salami, de kaas, goot sinaasappelsap van pakken in kannen, zette de koffie aan en liep met Anna de deur uit.

Het was ondertussen alweer te warm om te gaan slapen. Op de weg naar huis bedacht ik me dat ik de kleine kuipjes jam was vergeten klaar te zetten. Een ontbijt zonder jam is net een koffietafel.

3 thoughts on “De Boomerang

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s