Over N30 van Jeroen Mettes

Gisteren las ik, op uitnodiging van Perdu, een fragment uit N30 van Jeroen Mettes voor en reageerde erop, net als Jos Joosten, Ernst van den Hemel, Maarten van der Graaff en Astrid Lampe. Het was een avond zoals je die alleen in Perdu vindt: academisch zonder elitair te worden, maar bovenal: met het hart op de juiste plek. Bij wijze van ongevraagd advies: hier heeft u het.

Vernietigende hoeveelheid van alles, rechtgehouden door heel weinig

In een toespraak die de Amerikaanse schrijver Neil Gaiman op MIT gaf, vertelde hij dat het de taak van de auteur is om te ontploffen. Het is de taak van academicus om zich in het getroffen gebied te begeven, de scherven op te rapen en te bepalen wat voor soort ontploffing het was, hoeveel schade ze had moeten aanrichten en in hoeverre ze daarin geslaagd is. Als auteur, zegt Gaiman, voelt hij zich meer op zijn gemak in het ontploffen dan in het praten over ontploffingen.

Dat vooraf.

1.
Op Poetry International van dit jaar kwam ik Matthijs Ponte, coördinator van Perdu, tegen en wat me vooral bijgebleven is van ons gesprek is dat hij vond dat ik écht écht Jeroen Mettes moest gaan lezen. Hij wees naar de winkel waar de casette met Weerstandsbeleid en N30 stond en zei: “Hij staat daar.” Ik beloofde dat ik het zou gaan lezen.

Een week of twee later lag de casette op het kantoor van de Wintertuin, waar ik werk. Ik vroeg of ik’m mocht lenen en dat mocht. Thuis zette ik de casette in de boekenkast met een vast voornemen erin te beginnen zodra ik me door de stapel te lezen boeken had heen gewerkt. En de casette begon stof te vangen.

Totdat ik een mail kreeg van Frank Keizer, eveneens van Perdu, met de uitnodiging voor deze avond. Erin stond: De receptie van N30 moet eigenlijk nog op gang komen, en we willen de ontvangst graag een impuls geven door ook dichters te vragen die zich niet al hebben uitgelaten over Mettes (of het zelfs nog niet gelezen hebben), en zo in staat zijn het werk onbevangen tegemoet te treden. Je lijkt ons daarvoor erg geschikt.

2.
Ik moest toegeven: ik had het, in de woorden van Frank Keizer, zelfs nog niet gelezen. Ik had eerder van Mettes gehoord, dat natuurlijk wel. Meerdere malen bezocht ik zijn website, maar ik kwam niet langs die lege post bovenin. Onder die post stonden een flauwe opmerking van Chrétien Breukers, een anoniem kattenbelletje en vanaf het derde bericht de reacties op Mettes’ heengaan. Daaronder stonden dan weer een hoop spamberichten. Ik werd er misselijk van. Ik vond het te veel om overheen te stappen. Ik voelde me een buitenstaander, een voyeur zelfs. Daarom had ik me nooit met Mettes beziggehouden.

3.
Maar nu moest ik. Gelukkig was er die casette. Ik wist dat er een poëtica rondom het gedicht te vinden was in Weerstandsbeleid, maar besloot het aan te pakken zoals ik dat altijd doe: gewoon beginnen te lezen, onderstrepen wat iets met me doet en dan een hoekje omvouwen van de blaadjes waarop ik iets heb onderstreept. Dan zou ik later die onderstrepingen overtypen, ernaar kijken en in een keer weten wat ik over Jeroen Mettes (en vooral over N30) zou moeten zeggen. Zo had dat altijd gewerkt.
Ik onderstreepte op elke pagina wel drie of vier zinnen. Zinnen zoals: Ik zag een man – een mens met een gezicht en een geslacht en een manier van kleden en fietsen – en ik dacht: daar gaat een zin. Of een zin als: Mijn kapsel is géén statement. Maar ook: Op de koffie bij de familie van je vriendin na Auschwitz is onmogelijk.

En zo had ik er op de eerste 30 pagina’s wel een stuk of 40 onderstreept. Ik wist niet welke kant ik de hoekjes op moest vouwen. Er ontstond een gat in de rechter onderhoek van het boek. Daar zat ik met een gehavend boek (dat ik vast en zeker moest terugbetalen aan mijn werkgever) en geen manier om er iets zinnigs over te zeggen. Terwijl precies dat, over minder dan een week nog, van me verwacht werd.

4.
Ik pakte er toch de poëtica uit Weerstandsbeleid bij. Daar werd ik vooral getroffen door het volgende:

Probleem: de mogelijkheid van een gemeenschappelijk spreken (poëzie) bij gebrek aan ‘wij’. Of: wat is een ‘wij’ dat geen collectief subject (of in ieder geval geen volonté générale) is?

In de brief die Mettes schreef aan Samuel Vriezen – en die als inleiding bij N30 is opgenomen – had ik al gelezen dat Mettes een soort tale of the tribe voor ogen stond, in een samenleving die het aan tribe & tale ontbreekt en ik had er iets gemeenschappelijks in ontdekt. De passage uit de poëtica leek echter wel heel erg veel op wat ik mensen over mijn eerste bundel vertelde als ze vroegen waar het over ging.

Daar moest ik dan hier maar over gaan hebben. Ik zou mij en Mettes als gezamelijke strijders opvoeren, mannen met dezelfde visie, dezelfde idealen.
Maar dat zou liegen zijn. Want ik was er dan wel van overtuigd dat Mettes en ik elkaar ergens raakten, maar het voelde niet goed de uitwerking van mijn bij vlagen adolescent aandoende bundel naast het monsterproject dat N30 voor hem geweest moet zijn te leggen. Hoeveel ik ook in Mettes mocht herkennen. Op hoeveel zinnen ik ook hardop ‘ja!’ schreeuwde, uiteindelijk waren we toch twee compleet verschillende dichters. Ik had nog steeds niks en minder dan een week om iets te verzinnen.

5.
Ik bedacht me dit: op open dagen van de ArtEZ, de kunstacademie in Arnhem waar ik lesgeef, houd ik altijd een praatje over de vier typen kunstenaars die de Amerikaanse striptekenaar Scott McCloud onderscheidt. (Ik vlieg er even doorheen.)

Allereerst zijn er de classicisten, die geloven in traditie en vakmanschap en die kunst proberen te maken voor de eeuwigheid. De tweede categorie zijn de formalisten, die de vorm waarin ze werken willen begrijpen, ermee willen experimenteren. Ze schuiven graag de inhoud naar de achtergrond om nieuwe ideeën omtrent die vorm voorrang te geven. Als derde zijn er de animisten, voor wie de inhoud juist op de voorgrond staat. Ze willen het leven weergeven. Ze geloven in personages en verhalen, meer dan in kunst. Het zijn intuïtieve wezens. Ten slotte zijn er nog de iconoclasten die eerlijkheid, vitaliteit, authenticiteit en pretentieloosheid hoog in het vaandel hebben staan. Ze laten zich door niemand vertellen wat wel of niet kan, niet eens door zichzelf; ze weigeren vooral zich te conformeren aan wat dan ook.

Je kunt prima trekken uit verschillende categoriën vertonen. Zo vinden animisten en iconoclasten beiden het leven belangrijker dan de kunst, waar het voor de classicisten en formalisten precies andersom is. Aan de andere kant delen formalisten en iconoclasten de drang naar revolutie, terwijl classicisten en animisten meer in traditie geloven. Het wordt pas moeilijk als je probeert tegelijkertijd classicist en iconoclast te zijn, of tegelijkertijd formalist en animist. Het kan, maar het is moeilijk.

Het probleem met Jeroen Mettes was: hij was het allemaal en geen van allen. Nog minder dan een paar dagen om iets zinnigs over hem te zeggen.

6.
Maar ik was wel verder. Een van de eerste gedachten die ik had toen ik in N30 begon te lezen was: jeetje, wat veel allemaal. Ik had het idee dat Mettes alles probeerde te vangen en het liefst tegelijkertijd. Het probleem met alles is: het is te veel.

Daarom selecteren we en doordat we selecteren kiezen of creeëren we verhalen, en nog belangrijker: helden. En eigenlijk zijn er maar twee typen schrijvers: zij die de helden beschrijven en zij die er een willen zijn. Mettes wilde er veel liever een zijn dan er een creeëren.

Kunstenaars zoals Mettes zijn gamechangers, die niet in hokjes vallen, omdat ze precies de hokjes zelf op de schop willen nemen. Was hij hier nog geweest, was er meer van hem verschenen, was er een vent overgebleven om achter dit werk te staan: het Nederlandse poëzielandschap had er onmiskenbaar anders bijgelegen. Het mocht niet zo zijn.

7.
Ik was laatst op een concert van het hiphoplabel Rhymesayers. Een van de beste paarden van stal, Brother Ali, wilde handen in de lucht zien voor de kunst. Want, zo zei hij: Art is how we know we’re not alone in this motherfucker.

Dat is het gevoel dat me steeds weer bekruipt als ik in Mettes lees. Hij is er ver voor moeten gaan. Het was beter geweest als hij precies datzelfde gevoel had gehad bij het schrijven van N30.

Handen in de lucht voor Jeroen Mettes.

Advertenties

4 thoughts on “Over N30 van Jeroen Mettes

  1. Pingback: Over N30 van Jeroen Mettes | Toegangskaarten

  2. Pingback: Dennis Gaens over Mettes « JJ Pollet

  3. Pingback: Dennis Gaens over Jeroen Mettes | Ooteoote

  4. Pingback: Vernietigende hoeveelheid van alles, rechtgehouden door heel weinig | N30+

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s