Mijn mensen: Lea

Nu begint het echte aftellen: nog vier gedichten te gaan, denk ik toch. Deze week: Lea.

Het meisje dat de blues nog zingt, gelezen door Lea.

Lea speelde lang, lang geleden al op de presentatie van de eerste bundel van de Mugwumps. Dat alleen al verdient een plek in het audioboek. Maar er is meer: ik krijg kippenvel als ik Lea hoor zingen. En ik heb haar vaak horen zingen. Eén keer brak ik zelfs mijn been vlak nadat zij White Walls and Hospital Halls zong, wat maar weer bewijst dat de blues en voodoo dicht bij elkaar liggen. Lea is namelijk het meisje dat de blues nog zingt. En ik luister. Graag. (U moet trouwens nu niet gaan denken dat Lea blues maakt. Lea maakt een soort nieuwerwetse folk, het is een beetje zo’n pars pro toto ding maar dan anders.)

Ze heeft onlangs haar (ellen)langverwachte debuutplaat Can I come by? uitgebracht. Ik zeg: kopen! En: Bedankt, Lea.

Recensies ik en mijn mensen

Hieronder een overzicht van de recensies van ik en mijn mensen, van de nieuwste tot en met de oudste.

Uit het juryrapport van de C. Buddingh’-prijs:

Dennis Gaens portretteert zijn mensen met laconieke, zakelijke distantie:

Ik ken mijn mensen. Ik ben hier graag, maar er nooit helemaal bij. Ik mompel als ik echt iets meen en ik zou wat vaker willen schreeuwen 

Gaens schreeuwt noch mompelt, maar hanteert een afgemeten, helder gearticuleerde stijl die vaak balanceert op de rand van het proza maar nooit zijn karakteristieke ritmische en melodische spanning verliest.

Zijn mensen vormen een bont gezelschap van eenlingen. De bindende factor is misschien hun afkeer van de bunkerachtige structuren waarin hun ouders en generatiegenoten zich hebben verschanst.

Ik en mijn mensen is een hecht georganiseerde, haast architectonische bundel, waarin het bouwen, cq. slopen, een doorlopend thema is: ‘Ik en mijn mensen, wij bouwen geen huizen meer / wij nemen intrek.’ Onder het oppervlak van deze teksten smeult een ingehouden woede die zich kan ontladen in soms grimmige, soms surrealistische humor: ‘Er zijn dingen die je in huis laat staan, als je een sloopkogel inhuurt.’ Ook het gedicht ‘Bij wijze van belofte’ eindigt met dreigende woorden: ‘Uw hoge gebouwen maken ons langzaam, / ons langzaam wordt loom en ons loom / wordt luidruchtig, ooit.’

Of die revolte er inderdaad van komt, ligt waarschijnlijk buiten de poëzie, maar de andere belofte die Dennis Gaens de lezer doet: ‘Zoek me op: / ik heb verhalen’, heeft hij in Ik en mijn mensen alvast op overtuigende wijze ingelost.

Ron Rijghard in NRC Boeken.

Bouke Vlierhuis op Hanta

Piet Gerbrandy in de Groene Amsterdammer

Jurre van den Berg op Tzum

Thomas Möhlmann in Awater:

Noordhollands Dagblad:

Joris Lenstra op Meander

Willem Thies op de Contrabas (en op PZR, maar die hebben geen deeplinks)

Erik Lindner in de Groene Amsterdammer.

Anna de Bruykere op Cutting Edge

Hanz Mirck op Veldpost

Katyo op About:Blank

Mijn mensen: Frank Tazelaar

Oke oke, ik geef het toe: de frequentie is naar beneden geschroefd, omdat ik nog wacht op wat inzendingen. Maar dan toch voor u, voor deze week, deze donderdag: Frank Tazelaar.

De voetgangers zijn ingehuurde acteurs, gelezen door Frank Tazelaar.

Ja, Frank is mijn baas. Dat is echter niet de reden dat hij op het audioboek staat. Waarom dan wel? Een antwoord in de vorm van een anekdote:

Jaren geleden, toen de gulden nog van hout was en wc-papier niet bestond, speelden de Mugwumps in menig zaaltje een literair spelletje genaamd ‘zapliteratuur’. In diezelfde tijd was Willem Sjoerd van Vliet programmamaker bij de Wintertuin. WS mocht toen een stukje programma maken voor het Wintertuinfestival, dat toen nog in Doornroosje plaatsvond. Het thema van het festival was ‘Onder invloed’ en het door WS samengestelde programma (dat naast de Mugwumps uit Benne van der Velde en Robin Block bestond) heette ‘Heldendoders’. De bedoeling was dat we uit eigen werk en uit het werk van enkele van onze helden voorlazen. Om een lang verhaal kort te maken: het was niet ons beste optreden ooit.

“Frank was eigenlijk niet zo’n fan van jou”, zei Willem Sjoerd.

Ik zin altijd op wraak en/of revanche en toen ik de heer Tazelaar een tijdje later tegenkwam op een Audiotoop-avond in de extrapool, raakten we in gesprek. Ik had net een nieuw dingetje gemaakt voor de mugwumps-shows: Fremdkörper, een combinatie van foto’s en gedichten. Dat had ik ook op het internet gezet, als een soort van ebook. Daar had Frank iets over gehoord.
“Ja, nou, dat is eigenlijk meer waar we mee bezig zijn, met de Mugwumps. Theatervarianten van literaire performances, met acteurs, muzikanten en met beeld en zo”, zei ik.
“O, mooi, doen jullie ook iets met film?”, vroeg Frank.
“Ja”, loog ik.
En zo werd de herkansing van de Mugwumps bij de Wintertuin een feit. We zouden alle vier een film maken voor de Koninginnenacht van de Wintertuin.

Ik wilde uitpakken. Eerst trommelde ik Hadewych op om een verhaal van mij op muziek te zetten, daarna ging Mikken en Klikken aan de slag met een animatie gebaseerd op die track. Op de avond zelf nam Hadewych een bandje mee, en vooral: een grote trommel. Alles echo’de hard door de fabriek (waar de avond werd gehouden) heen en toen de laatste echo was uitgestorven hoorde ik iemand schreeuwen: “Geweldig!”

Dat was Frank Tazelaar.

Sinds die keer mocht ik vaker optreden bij de Wintertuin, werd ik betrokken bij het opzetten van de Literaturjugend en vond ik uiteindelijk een baan. Ik heb veel geleerd van Frank, veel contacten opgedaan en veel kansen gehad. Einde anekdote.

Bedankt Frank.

De films die de Mugwumps maakten zijn trouwens nog te zien: hier.

Mijn mensen: Maarten Inghels

We zijn er bijna, qua audioboek. Dit keer: Maarten Inghels.

Blues voor mijn Belgen (in A), gelezen door Maarten Inghels.

Ik geloof niet dat ik Maarten moet voorstellen aan de meeste lezers van dit blog. Hij is de snelstgroeiende dichter van België. En hij is al heel lang. Dat was geloof ik het eerste wat ik tegen hem zei ooit: ‘Je bent langer dan op het internet.’ We hadden al wat mailcontact en hielden elkaars blogs in de gaten en toen Maarten op Onbederf’lijk Vers moest optreden, haalde ik hem een dag eerder op van het station om hem mee te slepen naar een Literaturjugend (en natuurlijk een aantal kroegen).

Op het station stond een lange jongen met een vreemde haardos en een driedagenbaard. Die driedagenbaard bleek later permanent te zijn. De lange jongen had een oude, verweerde leren tas. Dat moest een dichter zijn. Dat moest Maarten Inghels zijn.

Sindsdien hebben we elkaar vaker op het station gezien, zowel in Nijmegen als in Antwerpen, ook al liep dat niet altijd even soepel. Zo kan ik me herinneren dat ik bij Maarten op bezoek ging en hem sms’te: “Ik zit nu in Roosendaal, ben er ver een half uurtje, denk ik.”
Maarten sms’te terug: “Geef me een uur en ik ben er.”
Ik dacht dat dat betekende dat hij er over een uur zou zijn. Ik had het mis. Ik moest hem een tijdstip geven.

Het is tekenend, op een bepaalde manier; Maarten en ik verschillen ook nog wel eens van mening. Dan noemt hij mij ‘underground’ en bedoelt dat ietwat pejoratief. Ik noem hem wel eens ‘dichter’ op die manier. Ondanks dat zie ik hem graag. We drinken koffie, we vatten pinten en we dromen wat weg.

De laatste keer dat ik hem zag leek hij weer langer. Misschien is dat eveneens tekenend. Toen ik hem leerde kennen had hij net zijn eerste publicatie in ORP, het gedicht ‘Strand’ met een veelbetekenende stilte aan het eind (‘zo van je mag nu zwemmen ////// hier’). Inmiddels is hij een niet weg te denken dichter. Hij zette de Eenzame Uitvaart in België op, organiseert het Felix Poetry Festival en komt in januari met een tweede dichtbundel die, naar alle waarschijnlijkheid, zijn naam definitief vestigt. Laat er geen misverstand over bestaan: Maarten Inghels is een dichter. Een erg lange dichter. En een beetje een eenmanszaak.

Ik ben blij dat hij de tijd gevonden heeft wat veelbetekenende stiltes aan mijn gedicht ‘Blues voor mijn Belgen (in A)’ heeft weten toe te voegen. Maarten is een van mijn Belgen.

Bedankt Maarten, we vatten snel weer een pint.

Mijn mensen: Ties Hillekens (OpenDichtBus)

Na een korte onderbreking gaan we gewoon weer verder met deze keer: Ties Hillekens

De kolchoz II, gelezen door Ties Hillekens

Ties Hillekens bestiert de OpenDichtBus, Nederlands beste antiquariaat… En dan ook nog eens op wielen. Ik denk niet dat ik lieg als ik zeg dat meer dan driekwart van mijn tweedehands boeken van Ties Afkomstig is. Dat komt omdat de man smaak heeft en hij mijn smaak ook nog eens kent. Ik weet dat ik de bus niet in kan stappen zonder met iets naar buiten te lopen. En zo is Ties waarschijnlijk een van de grootste invloeden op mijn gedichten, via de bundels en boeken die hij voor mij heeft uitgezocht. En sinds kort stuurt hij me (per post) ook nog eens gedichten toe. Ik zou lijstjes kunnen maken van welke bundels die ik bij hem kocht terug komen in ik en mijn mensen, maar daar doe ik u en mezelf geen plezier mee.

Dit gedicht voegde ik als laatste toe aan de bundel. Het is een bewerking van een ouder gedicht. Volgens het NRC gaat dit gedicht over ‘drie jonge mensen die proberen te vluchten uit het werkende bestaan‘. Als dat zo is, dan is Ties de meest aangewezen persoon om dit gedicht voor te lezen. De man werkt in de koude wintermaanden in een fabriek ergens in Eindhoven, om ’s zomers van festival naar festival te kunnen rijden in de bus. Hij woont dan ‘on the road’, slaapt tussen de boeken. Zo’n leven.

Op mijn bundelpresentatie kreeg ik een eerste druk van Dr. Sax van Kerouac cadeau. Die had hij ‘nog ergens liggen’.

Bedankt Ties, voor alles.