Satellieten II

De Rolschaatsbaan

Ik herinner me de snelwegafslag. Linksaf halverwege de brug ging het richting mijn vader, rechtsaf voor de brug op vakantie. Dat hebben ze veranderd. Je moet nu hoe dan ook voor de brug naar links.

We gingen één keer per jaar voor de brug naar rechts. Met mijn vader. Mijn moeder zat altijd in het huis dat ze ooit met mijn vader bouwde. Ze zat er aan vast leek het wel. Ikzelf zat meestal buiten, in het bos of op de rolschaatsbaan. De rolschaatsbaan was er niet echt een. Het was een stuk grijs asfalt van ongeveer 25 meter met in de berm een verweerd bordje waar ‘rolschaatsbaan’ op stond. We knikkerden er, voetbalden soms (erg goed was ik niet) en zogen het zoet uit de witte bloemetjes van dovenetels. Meestal ging ik er op de fiets naartoe, terwijl het praktisch voor de deur lag. Ik reed dan met mijn fiets tot het einde van de strook, sprong eraf en keek hoe mijn fiets zelfstandig de struiken in reed. Ik heb de neiging om dingen na te kijken als ik ze heb losgelaten.

De hele buurt speelde op die kleine honderd vierkante meter asfalt. Ik bracht daar meer tijd door dan in mijn eigen bed. Ik sliep toen al niet graag. Ik kwam er zelden op rolschaatsen. Niemand eigenlijk. We hadden skates en als we echt wilden skaten moesten we naar de dichtstbijzijnde stad.

Tegen de tijd dat er een wat echter aandoend skatepark in ons dorp kwam, was het al te laat. Er kwamen vooral hanggroepjongeren en ik had met mijn eigen groepje een andere plek, in een park. Het park was dichtbij genoeg om er ’s avonds snel heen te gaan en beschut genoeg om er stiekem te roken. Er waren bankjes om op te zitten en prullenbakken om in de fik te steken. Dingen veranderden, toen al.

De enkele keer dat ik nog ging skaten was in een grote hal in de stad waar mijn vader woonde, maar die sloot op een gegeven moment ook. Ik ging niet meer mee op vakantie en mijn moder verkocht het huis om ergens anders een huis te bouwen. Het bordje ‘rolschaatsbaan’ werd gestolen en het dorp kreeg een nieuwe naam. Er kwam een nieuwe snelwegafslag en nu moet je links, welke kant je ook op wil.

Zwoele zomeravonden, late nachten

Gisteren had ik twee optredens. Het eerste was in wat waarschijnlijk Neerlands Mooiste Museum is: het Kröller Müller. Elke zomer stelt het museum haar zalen en het grote park eromheen open voor performances van aller aard, onder de noemer ‘Zwoele Zomeravonden‘. De Wintertuin levert daar al een tijdje een bijdrage aan. Zo stonden Lucky Fonz III, Vicky Francken, Tsead Bruinja, Eefje Wentelteefje en nog veel meer bijzondere artiesten dit jaar in het Park Hoge Veluwe te oreren, schreeuwen en ontroeren.

Na gisteren sta ik ook in dat lijstje. Ik was onderdeel van de productie Talkpoeder. In wisselende bezetting reageren muzikanten en dichters op elkaar in een soort van semi-improvisatie. Gisteren bestond de pool uit F. Starik, Jaap van Keulen, Haico van Dijk en ondergetekende. Mijn lief maakte foto’s.

Lees verder

Satellieten

De huizen die onze ouders ooit bouwden, liggen er verlaten – maar verkocht – bij. Een gedeelte van de lege dorpen dient nu als opvang voor vluchtelingen, al dan niet uit het buitenland. We hebben er niet veel voor gekregen, maar van de opbrengst kunnen we de volgende vijf jaar hier huren. Hier en daar een bijbaan en we kunnen weer even eten.

De halve spooksteden bezoeken we zelden, we proberen zo vaak mogelijk binnen de straten van de buitenwijken te blijven. Het centrum doen we alleen aan als er weer eens rellen zijn. Of een groot feest, maar dat is slechts verschil in benadering.

Lees verder

Het mannetje in de jampot

Het mannetje in de jampot zat vroeger midden tussen de dingen. In een driehoeksverhouding tussen wat hij dacht dat het was, wie hij was en hoe de dingen werkelijk waren. Hij schold op vaatwassers in burgerhuizen en op Big Macs in het centrum. Had een hekel aan de geur van nieuwe huizen en geveegde straten. Hij had een neus voor dingen, maar zwoer het ruiken snel af.

Lees verder

De Huisstijl

Ik ben doof aan de kant van mijn kamer; een trucje dat ik me heb aangeleerd. Eerst met een oor hard op het kussen gedrukt en een arm over het andere. Later zonder arm en opeens had ik het door. Het is een van die dingen die je niet kunt uitleggen.

Het grootste deel van de dag woon ik toch in supermarkten. Het duurde een tijd voordat ik het roulatiesysteem geperfectioneerd had, maar nu ben ik er trots op. Anna is mijn favoriete partner. Het is makkelijker met z’n tweeën, je kunt langer onopgemerkt blijven. Ze weet op welk moment we moeten doen alsof we ruzie hebben, zodat geen medewerker ons durft aan te spreken. Ze heeft een blik die zegt: ‘Ik ben ongesteld, ontslagen en meneer verwacht ook nog eens dat ik iets verzin om te eten’. Werkt elke keer. Haar ‘ik ben even de weg kwijt’-gezicht trekt alleen maar meer medewerkers aan.

Lees verder