Week 6 in Berlijn

In een mailwisseling over Waai kwamen Hanneke, Vincent en ik tot de ontdekking dat we alle drie in Berlijn zouden zijn in week 6. Als Waai ergens komt, maakt Waai een zine. Zo ook nu. We spraken af dat we elkaar niet zouden ontmoeten. Hanneke en ik zouden elkaar een brief schrijven over onze week en Vincent zou foto’s maken. Die moeten dan samen in een zine komen. En dat zine zal er komen. Dit is mijn brief aan Hanneke. Haar brief aan mij staat hier. De foto’s in dit bericht heb ik gemaakt, maar binnenkort is er het zine met de foto’s van Vincent erbij.

Lieve Hanneke,

ik zou kunnen beginnen door te zeggen dat aankomen in Berlijn altijd een beetje thuiskomen is, maar dat is cliché en pathetisch. Het is meer zoals voor het eerst weer gaan zwemmen in de zomer: je kijkt ernaar uit, weet dat je de bewegingen nog kent, maar het gevoel dat je krijgt als je het water inloopt is altijd weer nieuw, voelt altijd weer anders. Bijvoorbeeld kouder dan je gedacht had.

Berlijn was koud deze week. Heel koud. Voor de deuren van Tacheles deelde ik een kop smerige koffie met Bert en een kunstenares die ons een rondleiding gaf – om warm te blijven. Ik ben naar de Kaufhof op Alexanderplatz geweest om een lange unterhose te kopen. En regelmatig doken we weer even het hotel in om warm te worden. Berlijn was koud deze week.

Ik zou je kunnen schrijven over ons hotel, het Michelberger aan de Warschauerstraße, dat gevuld is met verwijzingen naar The Big Lebowski (en waar die film non-stop op de gangen en de kamers draait). Je kunt er wat gaan drinken. De lobby annex café heet Honolulu en de sfeer is er fijn. Ze hebben Brezels. Ik zou je kunnen schrijven over hoeveel ik van de S-Bahn houd. Ik zou je kunnen schrijven over wat ik allemaal gekocht heb (ik heb in het buitenland altijd de neiging veel geld uit te geven). Ik zou je kunnen schrijven over de Kartoffelkeller, waar zelfs de toetjes aardappels bevatten (en die mijn favoriete plek is voor schnitzels). Maar ik schrijf je liever over Anna en de gebouwen. De dingen waar ik altijd over schrijf dus.

Dinsdagochtend stapte Anna op de S-Bahn tussen Potsdamer Platz en de Oranienburgerstraße. Dit keer was ze blond. Ze zag er zacht uit – niet dik, maar zacht. Ze had grote, donkere ogen en zat comfortabel aan het raam in haar spijkerbroek met gaten, sneakers en windbreker. Ze keek naar buiten. Ze leek gelukkig. Niet gelukkig zoals een meisje dat net bij de leukste jongen ter wereld vandaan kwam, maar gelukkig zoals een meisje dat blij is zichzelf te zijn. Blij is met haar leven.

Halverwege de rit zag ze dat ik haar zag en iets later stapten twee incognito controleurs op. Er was drukte, gezoek naar kaartjes en we verloren het sporadische oogcontact. Bij het uitstappen zag ik dat ze twee dreads had. Ze nam dezelfde halte, maar niet dezelfde uitgang, wat zoveel betekent als dat we van elkaar wegliepen.

‘s Avonds zag ik haar weer. Dit keer was ze Jackie Onassis. In de benedenzaal van het C/O (op de hoek van de Oranienburgerstraße en de Tucholskystraße) wordt werk van Ron Galella, oerpaparazzo, tentoongesteld. Er is een foto van Marlon Brando vlak voordat die Rons kaak brak. Er is een foto van de keer daarop dat hij poogde een foto van Marlon te maken. Ron droeg een football-helm. Er is ook een foto van Hitchcock die goud waard is en er is een foto van Mick Jagger die betrapt wordt met Jerry Hall, voordat dat bekend was. Het is iets voor jou, die expositie.

Maar de mooiste foto is van Jackie Onassis. Ron was naar een tenniswedstrijd van haar dochter gegaan. Jackie probeerde hem verwijderd te krijgen, maar dat lukte niet. Dus rende ze zelf maar weg. Op de foto zie je de wegrennende Jackie, ver in een veld. Je ziet niet eens echt dat zij het is, maar je weet het. Volgens het verhaal kwam ze uiteindelijk op een jogging track terecht. Zo is het leven, denk ik. In een documentaire die daar draait wordt beweerd dat Ron verliefd was op Jackie. Zij daarentegen gaf haar lijfwacht de opdracht: “Smash his camera.”

Op de bovenverdieping stond Anna naast me. Dit keer had ze bruin haar, ongelooflijk lange benen en een omgekeerd evenredig kort rokje. We lazen de informatie over de expositie die op die verdieping was, het werk van Gundula Schulze Eldowy. Ik las de Duitse tekst, zij de Engelse. Ik leunde tegen een pilaar, maar Anna danste. Zo leek het tenminste. Ze kon niet stil blijven staan: enerzijds alsof ze pasjes volgde, anderzijds alsof ze zenuwachtig was. Even stonden we helemaal alleen in die gang. Totdat er mensen naar boven kwamen. Ik liep naar links, Anna naar rechts. De tentoonstelling was heftig. Anna was terecht zenuwachtig.

De avond erop dacht ik Anna ook nog te zien bij de kassa van een poëzielezing. Ze was weer blond, maar dit keer geverfd. Ze had lappen stof om zich heen geslagen – het was koud in Berlijn – en grotere ogen dan voorheen. Ze fluisterde omdat de lezing al begonnen was. Normaal als mensen fluisteren klinkt het lelijk, raspend en instabiel. Bij haar niet. Het was een melodieuze, stabiele fluister, ondanks de kou. Later zag ik dat ze Uggs droeg en dus Anna niet kon zijn. Het was een onvergeeflijk vervelende poëzielezing.

Die avond was alweer mijn laatste in Berlijn. Na de lezing gingen Bert en ik meteen terug naar het hotel. We dronken nog een biertje op onze kamer en keken nog een stuk van The Big Lebowski. Bert ging slapen en ik liep nog even doelloos door de lobby, plakte wat stickers, verstopte mijn laatste zines en schreef iets in het gastenboek. Berlijn is een moeilijke stad om te verlaten. Ik sliep slecht, stond vroeg op en kocht drie Brezels voor in de trein. Anna was nergens meer.

Ik heb vergeten je te schrijven over de gebouwen, maar dat geeft niet: ze zijn overal.

Groetjes,
Dennis

P.S.: Doe je de groeten aan Vincent?

Wij waren Waai 2011

De harde kern van Waai: Johan Roos, Willem Claassen, Seb Andeweg, Eva Mouton, Bert De Geyter, ik, Joeri van Putten, Hanneke Hendrix en Vincent Zegveld

De afgelopen week zat ik, net als vorig jaar, een weekje met Waai in de Paraplufabriek. Waai is een collectief dat geen collectief mag heten. Eigenlijk is het een los-vaste club van schrijvers, filmers, fotografen, vormgevers en beeldend kunstenaars. Vaak vervullen deelnemers meerdere van die rollen. Het idee is dat we ons een tijd opsluiten en ter plekke kunst gaan maken. ’s Avonds wordt dat werk dan gepresenteerd met voordrachten, films, interviews en (sinds Gent) met een zine. In Gent deden we het in een dag, in Nijmegen hadden we een hele week.

En wat voor een week. Elke dag om 18.00 uur was de deadline voor het zine dat (op zaterdag na) steeds uit één A4 bestond. Zaterdag maakte Joeri een mapje waar alle zes de zines in kunnen.

Ik had wat valse starten, maar tegen het einde van de week zat ik er wel in. Natuurlijk is er niets terechtgekomen van de plannen die ik had, de dingen die ik wilde maken, maar er is van alles uit mijn pen gekomen en het was, hoe vermoeiend ook, weer goed om te schrijven in snelkookpan-modus.

Hieronder mijn bijdrage uit het zine van vrijdag, onze Vlaamse Dag. De rest van mijn bijdragen blijft in de zines. Die zijn 50 cent per stuk (exclusief verzendkosten). Als je ze alle zes tegelijk koopt krijg je er één gratis. Bestellen kan via zines [at] denieuwes.com.

Live zine @ Entrepot Fictief

Waai, het collectief dat geen collectief is, was uitgenodigd om iets te doen voor het openingsweekend van een nieuwe expositiesruimte in Gent: Entrepot Fictief. Ik stelde voor dat we een zine zouden maken en iedereen was voor. En dus deden we dat.

Tot 18.00 uur heeft iedereen getekend, geschreven en gefotografeerd en na de selectie en wat friet zjn we gaan printen, snijden, vouwen en binden. Het resultaat is een fraai boekje van 28 pagina’s met handgeschreven covers van Eva Mouton. Het bevat werk van Willem Claassen, Hanneke Hendrix, Vincent Zegveld, Jerry Hormone, Eva en mij. We hebben er 22 kunnen maken voordat de inkt op was. Niet getreurd: eind oktober gaat Waai weer een week in de Expoplu zitten. Daar maken we er nog wat en dan is het boekje weer leverbaar.

Bovendien hebben we besloten dat we dit vaker gaan doen. Iedereen was enthousiast. Het is gewoon goed om werk te maken en dat meteen naar buiten te brengen, zo nu en dan.

Hieronder het titelgedicht Tot de laatste lantaarn een schijnwerper is geworden. De tekst is van mij, het beeld en de opmaak van Vincent.

De indiaan

Fotograaf Vincent Zegveld vond tussen de tegels van het Waterlooplein een volgeschoten fotorolletje. Tijdens de waaiweek ontwikkelde hij het rolletje en drukte het af. Daarna schreven Willem, Eva en ik er alle drie een tekst bij. Dit is de mijne.

De indiaan bestaat niet. Dat gaat niet;
niemand jaagt op buffels.

Iemand heeft hem verzonnen of beter:
iedereen heeft hem verzonnen. Hij lijkt
te veel op zijn vaders.

Iedereen is zijn eigen indiaan.

Het is de kunst een vaardige te worden:
een indiaan op zolder.

Indianen vieren feest. Ze dragen goedkope overhemden
en lachen zoals trouwe honden dat doen. Bovendien
doen ze iets met hun dromen. Ze kijken de zon in met
een hand boven hun hoofd.

Ze leggen hun oor te luister op de grond en zijn daarbij
nog nooit overreden. Indianen zijn geen goudzoekers:
ze geven hun sigaretten aan iedereen en kijken altijd
recht in je gezicht, niet eerst naar je voeten.

Een indiaan verzamelt nagenoeg niets:
aan een weekendtas heeft hij voldoende.
Alleen ‘s avonds vertelt hij weemoedige verhalen.

Praat niet over de indiaan. De indiaan waarover
gesproken kan worden, is niet de echte indiaan.

De echte heeft geen naam.