A festival manifesto

We zijn alweer twee dagen los. Tijdens de zomerfeesten is Nijmegen een andere stad. Het centrum wordt dan bevolkt door coverbandjes en hamburgerkramen, overal staan militairen en naarmate de week vordert, zie je steeds meer gladiolen uit rugzakken steken.

En er is de-Affaire, waar de muziek, de sfeer en het eten goed zijn en bovendien ongeveer iedereen die je kent te vinden is. (Een groot Cheers-gehalte, eigenlijk, als ik er zo over nadenk.)

Mijn debuutbundel opende met het gedicht het meisje dat de blues nog zingt. Een niet onbelangrijk deel van de beelden in dat gedicht schreef ik drie jaar geleden tijdens de-Affaire in mijn notitieboek, samen met nog een dozijn aantekeningen die niet in het uiteindelijke gedicht pasten. Bijvoorbeeld dat iedereen op oude sneakers loopt bij festivals of dat gevoel gewoon rond te lopen en altijd terecht te komen.

Die beelden lagen ten grondslag aan het gedicht dat ik dit jaar voor de-Affaire schreef. Het staat gedrukt op de achterkant van de blokkenschema’s. Arne, eindbaas promotie en pr, mailde me een paar weken terug: de oplage is 10.000. Dat is dan mijn hoogste oplage ooit.

Afgelopen vrijdag was er een bijeenkomst in het Valkhofpark voor de vrijwilligers van de-Affaire. Arne had gevraagd of ik daar iets voor half negen kon zijn. Ik was er één minuut voor half negen. Arne zei: “Het loopt een beetje uit.” En terloops: “Je gedicht staat trouwens ook op die lichttorens.”

Uiteindelijk werd het na tienen voordat ik het gedicht aan de vrijwilligers ten gehore zou brengen. Dat was oké. Ik keek naar het lege terrein en zag me daar zelf alweer rondlopen, vermoeid maar tevreden. Ik kletste met vrijwilligers, medewerkers en oude bekenden, rookte de ene na de andere sigaret en ging uiteindelijk op een picknicktafel staan die ik zelf mee had opgezet.

Toen ik naar de Ooij verhuisde was één van de voordelen die ik daarin zag: “Nu hoef ik in de zomer niet de stad door om bij de-Affaire te komen.” Dat is nog steeds een van de eerste dingen die ik mensen vertel als het gaat over waar ik woon.

Ik heb veel van mijn favoriete bands gezien op de-Affaire, nog meer van mijn favoriete bands daar ontdekt. Ik heb er ruzies gehad en vrienden gemaakt. Ik kom er graag.
Het wordt weer goed dit jaar. En dat komt mede door deze troep mensen:

P.S.: Overdag ben ik vanaf morgen op Habana te vinden, het kleine zusje van de-Affaire, waar we met Waai live zines maken. ‘s Avonds uiteraard dicht op de podia en nog later op een kruk bij de Baardwaard.

P.P.S.: Ja, dit is een stadsgedicht in het Engels. Die zomerfeesten zijn een internationaal ding. Na een bouwplaat, een gedicht over Arnhem en een stiftgedicht als stadsgedicht moet dat wel kunnen, lijkt me zo.

P.P.P.S.: De Affaire in Beeld maakte een mini-docu over ‘mijn vierdaagse’:

Huisregels (stiftgedicht als stadsgedicht)

Ik ben nog een klein half jaar stadsdichter. De teller van ‘gedichten in functie’ staat inmiddels op 21. Daarvan zijn er 15 in de categorie ‘gelegenheidsgedichten’ en zes onder die van ‘stadsgedichten’ verschenen op deze site. Die laatste zes zijn echter ook een soort van gelegenheidsgedichten. Toen ik pas stadsdichter was, had ik (vooral mezelf) beloofd niet alleen gelegenheidsdichter te zijn. En toch zocht ik altijd een gelenheid om een gedicht aan op te hangen.

Bij dit gedicht los ik dan eindelijk mijn belofte in: volledig gelegenheidloos, dit.

Een aanleiding is er wel. Een tijd terug zat ik op een donderdagnacht in de laatste trein van Utrecht naar Nijmegen te praten met een niet nader genoemde medewerker van het KCG. We spraken over ideeën die ik nog wilde realiseren voordat ik stadsdichter af was en uit het niets zei hij:

“Weet je waar jij eens een stadsgedicht over moet schrijven?”

Hij vertelde over een plek waar ik een paar keer per week langsfiets (of -brom). We blijken vaker dezelfde route te nemen, deze medewerker van het KCG en ik. En op die plek, langs die route hing een bord. Hij wist niet precies te vertellen wat erop stond, maar wel dat het ‘maf’ was.

Ik had al vaker met het idee gespeeld om van een stadsgedicht een stiftgedicht te maken. Toen ik het bord in kwestie las, was het duidelijk.

Restte alleen nog de vraag wat de rol van Smoove Business zou zijn in de vormgeving van dit gedicht. Een stiftgedicht is immers al iets grafisch. Joeri, hoe vaak hij ook klaagt dat ik hem zoveel werk op de hals haal, was stiekem toch wel een beetje beledigd. Maar we vonden een oplossing. Waarvan akte. Joeri kan dat soort dingen. Waarvan akte.

Het gedicht is gedrukt op magneten en verschijnt in een oplage 100 te pas en te onpas op verkeersborden, parkeerautomaten en auto’s in Nijmegen. Op twintig stuks na. Die verloot ik onder de mensen die voor 25 juni* weten van welk bord dit stadsgedicht een stiftgedicht is. En natuurlijk het antwoord stuurt naar huisregels [at] denieuwes.com 

Pim Franssen is overigens uitgesloten van deelname.

P.S.: Dat het gedicht nu toch nog iets van actualiteitswaarde heeft vanwege de recente parkeerperikelen, is puur toeval. En mooi meegenomen.

Arnhem: één gedicht maakt nog geen lente

Over mijn nieuwste stadsgedicht. 

‘Opmerkelijk’ noemt De Gelderlander mijn bijdrage aan het Nijmeegs Boekenfeest. Jaap Robben begon een stadsdichtertraditie door op het Boekenfeest een nieuw stadsgedicht op een postkaart te presenteren. Die traditie wilde ik in ere houden, maar ik vond het moeilijk. Ik zag niet hoe ik het boekenweekthema – vriendschap en andere ongemakken – moest verwerken in een gedicht over Nijmegen.

Totdat ik in Amsterdam een button in mijn hand gedrukt kreeg door Maartje Wortel. Het was een button van Oostpool. Erop stond: Arnhem ‘till I die. Dat was het: ik ging een stadsgedicht over Arnhem schrijven.

Ik sms’te mijn plannen naar Joeri, de vormgever van al mijn stadsgedichten, die met het plan kwam om Martijn Brugman te fotograferen. Met trolleykabels. Ik zei tegen Martijn: ‘Ik weet niet wat Joeri allemaal van plan is.’ Joeri zei tegen Martijn: ‘Ik weet niet wat Dennis allemaal van plan is.’ Ons plan was om in het stadskatern van de Arnhemse editie van De Gelderlander te komen.

Vrijdagmiddag belde de stadsredactie op om me ‘namens de Arnhemse gemeenschap’ te bedanken. Ze wilden het op de voorpagina. De Arnhemse gemeenschap zelf reageerde en masse en beduidend anders op de site. Zo ook de Nijmegenaren:

Gadverdamme wat ben jij voor een Nep Nimwegenaar Kerel
Kut dichter wij gaan nooit vriendjes worden met arnhep
kut stad ga lekker daar wonen dan ofzo als ju da wilt
NEC Fan – 19-03-2012 | 16:54

En ook het eerste tegengedicht volgde snel. Jibbe Willems schreef het gedicht ‘Nijmegen’:

Toen ik vertelde dat ik naar het zuiden ging,
zomaar, om eens rond te kijken,
bleef het lang stil. “Naar N.?” vroeg een vriend
en ik knikte.

Hij zei: “Sommige kloven hoeven niet gedicht,
die liggen er goed en met reden
zoals de kloof die er al jaren ligt
tussen Arnhem en dat N. daar beneden.”

Steeds meer vrienden vielen hem bij, één zei
dat er niet voor niets zoveel water tussen ons lag,
een ander had koudwatervrees
en vond elke brug een brug te ver.

Ze vertelden me dat de taal daar gesproken
zo zacht was dat je er in weg kon zakken.

En één die het van horen zeggen had,
sprak van de reiziger die was verdwaald
op het Keizer Karelplein. Nu nog rijdt
de arme ziel zijn rondjes in de eeuwigheid.

“En de meisjes uit het zuiden zijn zompig,
zij kijken sponzig uit hun ogen en vreten
als tarantula’s hun partner na de paring op.”

Nu ben ik niet bang aangelegd
en zie ik eetlust in een meisje graag,
maar liever niet verdwijn ik,
natgezweet en leeggevreeën,
in een Nijmeegs meisjesmaag.

Ik schudde het plan van mij af
nam afscheid van mijn vrienden
en liep langs de Rijn terug naar huis.

Daar, dacht ik, begint het diepe zuiden,
terrein dat voor mij onbekend blijft,
want meer nog dan water ligt er de angst
die ons, Arnhem en N., uit elkaar drijft.

Rasarnhemmer Richard Derks meldde:

We komen er wel. Uiteindelijk. Zoals Frank van der Mee op facebook zei: één gedicht maakt nog geen lente.

De postkaarten zijn nog volop beschikbaar. Mail je adres naar arnhem@denieuwes.com en je krijgt er een in de bus.

Twee boekjes en een blauwe maandag

Net als vorig jaar had ik me dit jaar voorgenomen meer op deze site te gaan zetten. Net als vorig jaar lukt dat tot nu toe nog niet zo, wat niet wil zeggen dat ik lui op de bank lig te hangen. Daarom een korte update in drie punten.

1. Kutgitaar

Afgelopen dinsdag reisden we met een hele bende Nijmegenaren (en een Arnhemmer) af naar De Nieuwe Anita. Aldaar sloot een menigte Amsterdammers zich bij ons aan en hielden we het derde nummer van Kutgitaar ten doop. Het was een soort van schoolreisje. We hebben ons vreselijk misdragen. Maar er was een lasershow. En heel tof (en onverwacht veel) publiek.

Bekijk de foto’s op de site van de Kutgitaar. Daar kun je meteen ook lezen hoe je dit nummer bestelt, want dat ga je zeker willen.

2. Das Magazin

Toen ik dinsdag in de rij stond bij Athenaeum, kochten de mensen voor me alleen maar Das Magazin. Eén vrouw kocht zelfs twee exemplaren. Ik denk dat het hip is. Er lag dan ook een hele stapel op de toonbank. En er hing er één achter de toonbank. En in de etalage. Ik sta erin. En erop: op het omslag is duidelijk te zien hoe ik de 1 kapot maak. Niet zoveel als Jan Jaap van der Wal, maar meer dan Maartje Wortel. Binnenin mag ik de afdeling ‘dat wat zich aan het thema conformeerde’ openen.

Als je geen zin hebt om bij Athenaeum in de rij te gaan staan, kun je het nummer ook gewoon hier bestellen.

3. Blauwe Maandag Vol. 2

Twee weken geleden stond ik op het podium te schreeuwen voor een zaal vol hiphoppers. Aanleiding was de releaseparty van Blauwe Maandag Vol. 2 van Nijmeegs’ trots Discipline, waarop ik met een nummer meedoe. Vroeger zat ik in een bandje en schreeuwde ik te pas en te onpas ‘circle pit!’. Nu droeg ik poëzie voor en kwam die pit vanzelf. Toen ik het podium afliep kreeg ik heel wat schouderklopjes en één aai over mijn bol (van Joeri). Dat heb je bij poëzie-avonden nou nooit. Het was een goed feestje.

Vandaag ben ik los

Later dit jaar verschijnt het debuutalbum van Discipline & Rather Real, maar omdat ook zij niet lui op de bank hangen brengen ze alvast een mixtape uit. Het derde deel van die mixtape is vandaag online gegaan, inclusief mijn bijdrage. Luister de hele mixtape op Youtube, of download’m hier. En als je dan toch bezig bent, stem even op die jongens voor de Grote Prijs.

En omdat ik jullie allemaal, stuk voor stuk, mooie mensen vind, hier nog een plaatje voor jullie:

Punkers, evergreens en spelfouten

Iets later dan gepland, maar het is er: Stadsgedicht #5, ter gelegenheid van Nationale Gedichtendag. Ja inderdaad, dat is inmiddels alweer een week geleden. Dit stadsgedicht had een hoog Murphy-gehalte.

Aan de vooravond van gedichtendag trad ik op in de Vera – waar ze goddank nog steeds een select aantal posters zeefdrukken. Daar stond ik met Ellen Deckwitz, Daan Doesborgh, Sieger MG en John ‘Evidently Chickentown’ Cooper Clarke op de planken van de Vera. Ik kan u garanderen dat dat het mooiste feestje van die avond was. Waar dan ook. Cooper Clarke was jarig en dat moest gevierd worden, met zijn gebruikelijke mix van stand-up en rauwe poëzie (al dan niet gemompeld):


(Opgenomen door de aardige geluidsman van de Vera, die van mij een biertje kreeg in ruil voor een CD met opname van de hele avond.)

Stiekem wilden Daan en ik wel met hem op de foto (en Ellen wil sowieso altijd wel op de foto), maar we konden moeilijk ombeurten met onze mobiele telefoons kiekjes maken. Gelukkig was daar Jan Glas, die naast het best bewaarde poëtische talent van Groningen ook nog eens een geweldige fotograaf is. Daan en ik strikten Jan en beloofden hem backstage te loodsen om ons met een van onze jeugdhelden op de foto te zetten. Enigszins gegeneerd vroeg ik aan John of hij met ons op de foto wilde. En of hij daarvoor even mee de gang op wilde, want het licht in zijn backstagekamer was niet zo goed.

John bleek een verdomd relaxte kerel en willigde in. En zo stonden we in een hoekje op de gang en begon er iemand te zingen. Volgens mij was het John die I will survive inzette. Daarna werden we een soort jukebox van slechte klassiekers. Venus kwam voorbij, maar ook Livin’ la vida loca. Het was een medley die zijn weerga niet kende. Om ons heen verzamelden zich mensen die zich vast afvroegen of ze een ambulance moesten bellen. Of de politie. Maar gelukkig was Jan Glas een van die mensen en leek het nog enigszins op een fotoshoot wat daar gebeurde. Waarvan akte op Jans flickr-stream. Ook al sliep ik weinig, wat ik sliep was de slaap der rechtvaardigen. Of in ieder geval der gelukkigen.

De volgende ochtend moest ik er vroeg uit om les te geven op ArtEZ en me Nijmegenwaarts te spoeden want daar zou (als alles goed was) de poster met het nieuwe stadsgedicht op me wachten. Het was nogal een stressig ding geweest om het op tijd af te krijgen voor die avond, maar de drukker had geleverd. Het gedicht was er. En vrijwel meteen zag iemand de spelfout. Ik had de verkeerde versie naar Joeri (SmooveBusiness) gestuurd. En als je een spelfout naar de drukker stuurt, maak je er meteen vijfhonderd. Ik kocht wat stiften en mijn lief verbeterde zo goed en kwaad als het kon een handvol posters voor die avond. Daar presenteerde ik het gedicht op de Dichtersnachten – zie hieronder.

Johan Roos ontdekte nog een fout en Kim van Kaam verbeterde nog her en der wat en het ding kon meteen weer naar de drukker. Althans, als Joeri’s computer niet gecrashed was. Hij had de bestanden, die bestanden waren onbereikbaar.

Maar vandaag, precies een week na gedichtendag is het er: mijn gedicht voor gedichtendag. Het thema van die dag was Stroom en dan kom je in Nijmegen natuurlijk al heel snel bij de Waal uit. Omdat ik al een gedicht over de brug had geschreven, wilde ik dit gedicht daar een soort vervolg op laten zijn. Dat ziet u vast zelf ook wel. De poster gaat nu naar de drukker en is vanaf eind volgende week weer leverbaar. Als je er een wilt, mail je adres naar stroom [at] denieuwes.com en hij gaat van de drukker zo de post op. Natuurlijk is het gedicht ook hier te lezen.