Kippen: Alleen de parachute is echt

1513784_10204234785766706_3150284084671605158_nEen maand of vijf geleden kondigde ik hier aan dat ik met een roman ging beginnen. Niet lang daarna werd ik gevraagd om uit te leggen hoe je dat doet, een roman schrijven. Op basis daarvan werd ik dan weer gevraagd door De Ruwe Gelderlander om mijn ’systeem’ in kaart te brengen (onder dit bericht). Nu word ik aangekondigd met ’Momenteel werkt hij benijdenswaardig gestructureerd aan zijn debuutroman.’

Terwijl de simpele waarheid is: ik heb geen enkel idee. Echt niet. Ik heb nog nooit een roman geschreven. Toen ik een halfjaar geleden besloot dat toch te doen, moest ik iets van een vangnet hebben. Enter het systeem. Ik wilde kijken of ik überhaupt 50.000 woorden kon schrijven. Ik had een gat tot begin april, dus ik rekende uit dat ik ongeveer 2.500 woorden per week moest schrijven. Zonder plan verder, gewoon schrijven.
Kippen (Bulk)Het is 1 april en die 50.000 woorden zijn er. Een roman nog niet. Er is een basis, maar om daar een roman van te maken moet er een nieuw systeem komen. En even een pauze.

Sorry. Ik heb nooit willen doen alsof ik het antwoord heb. Maar misschien is een antwoord geven genoeg. In Daily Rituals van Mason Currey zegt Nicholas Barker het volgende over routine:

What I’ve found with daily routines, is that the useful thing is to have one that feels new. It can almost be arbitrary. You know, you could say to yourself, ‘From now on, I’m only going to write on the back porch in flip flops starting at four o’clock in the afternoon.’ And if that feels novel and fresh, it will have a placebo effect and it will help you work. Maybe that’s not completely true. But there’s something to just the excitement of coming up with a slightly different routine. I find I have to do it for each book, have something different.

Alleen de parachute is echt. Dit was de parachute voor het afgelopen halfjaar:

sketchnotes-RuweGelderlander

Ongevraagd advies: Matt Ruff

DSC_0186

My father called me out.

I was twenty-six years old when I first came out of the lake, which puzzles some people, who wonder how I could have an age without having a past. But I get puzzled, too: most people I know can’t remember being born, and what’s more, it doesn’t bother them that they can’t remember. My good friend Julie Sivik once told me that her earliest memory was a scene from her second-birthday party, when she stood on a chair to blow out the candles on her cake. It’s all a blank before that, she said, but she didn’t seem upset by it, as if it were the most natural thing in the world to be missing two years of her life.

Set this house in order van Matt Ruff – in het Nederlands vertaald onder de jammerlijke en jammerlijk misleidende titel Verliefde zielen – gaat over Andy Gage en Penny Driver. Beiden hebben ze een meervoudige persoonlijkheidsstoornis, al gaan ze er ieder op geheel andere wijze mee om. Waar in Andy’s hoofd een heel landschap bestaat en de persoonlijkheden elkaar kennen en het lichaam delen, kent Penny haar medebewoners niet:

She spent what was left of Saturday morning jittery and nervous, wanting badly to leave the apartment but unable to—every time she started to go out, she found herself turned around and coming back in again.

Het boek gaat over de ontmoeting tussen de twee en een soort van road trip die daaruit volgt.

Martijn Brugman zei ooit dat het probleem met Nederlandse romans was dat ze allemaal over een domineeszoon gaan die professor in de Letterkunde is. En dat niemand ooit zomaar gaat vliegen in een Nederlandse roman.

En daarom moet je Ruff lezen. Een van zijn andere boeken, Bad Monkeys, gaat bijvoorbeeld over een organisatie die het Kwaad bestrijdt. Nee, niet criminaliteit of slechte mensen: het Kwaad. Het is juist in zijn overdrijvingen en bizarre fantasiewerelden dat Ruff het menselijke blootlegt. Je raakt ervan overtuigd: we hebben eerder allemaal een meervoudige persoonlijkheidsstoornis dan dat we professor in de Letterkunde worden.

De Verjaardagen

Gisteren presenteerde Hanneke Hendrix haar debuutroman De Verjaardagen. Willem en ik mochten speechen. Hieronder mijn speech. 

Je kunt een briefje van vijfentwintig geen twintig keer opvouwen

Precies een week geleden vroeg Willem me naar mijn ‘insteek’ voor deze speech. Insteek. Dat had ik niet. Ik heb bij mijn weten nog nooit een insteek gehad.

“Misschien moeten we dat even afstemmen.”, zei Willem. “Ga je iets met haar weblog doen?”
“Nee, misschien wel iets met sms-jes.”, zei ik.
“Dat is toch ook van haar weblog?”
“Oja.”
“We zullen wel veel dezelfde dingen zeggen.”, zei Willem.

Uitgaande sms, naar Kim, 16 september, 21u23:
Willem vroeg me vandaag naar mijn insteek voor de speech. Alsof ik ooit zoiets heb als een ‘insteek.’
Inkomende sms, van Kim, 21u24:
Die sms-jes, dat is toch een insteek?
Uitgaande sms, 21u24:
Dat is geen insteek, dat is een einde.
Uitgaande sms, 21u26:
Wat daarvoor moet komen valt me zwaar.
Inkomende sms, 21u26:
Ok, ik wist niet dat je daarmee ging eindigen. Het lijkt me verschrikkelijk moeilijk.

Altijd als ik het moeilijk begin te vinden en ga twijfelen, ga ik mensen citeren.

Of mijn tekst nummeren.

2.
Ik weet niet meer precies hoe ik Hanneke heb leren kennen. Ik volgde haar blog – waar we (zo leerde ik later) Jenneke Harings eeuwig dankbaar voor mogen zijn. Ik was vrij snel fan. En ontzettend blij dat zo’n goede schrijfster gewoon woonde in de stad die ik als nieuwe thuis had gekozen.
Niet lang daarna deden we een eentweetje met wedstrijden winnen. Hanneke won in 2004 de Nijmeegse voorronde van Write Now, ik in 2005 (Hanneke zat toen in de jury). Ik won vervolgens in 2006 de Lowlands-schrijfwedstrijd, Hanneke in 2007. Als mensen dan vroegen waar Hanneke en ik elkaar van kenden zeiden we: “O, wij winnen om beurten wedstrijden.”

3.
Een jaar nadat Hanneke de Lowlands-wedstrijd had gewonnen, wilde ze een boekje maken. Met mij en Willem. Dat leek haar wel gezellig. En dat was het. Het boek moest in 2008 verschijnen, omdat Hanneke iets met het cijfer acht had. Het Nieuwe Zwart verscheen uiteindelijk in 2009, maar Hanneke had de uitgever overgehaald om er 2008/2009 in te zetten. Dat lukt je alleen als je Hanneke Hendrix bent.

4.
Uitgaande sms, naar Willem, 16 september, 22u11:
Was Het Nieuwe Zwart al uit toen we op die Gentse Feesten voordroegen?
Uitgaande sms, naar Willem, 17 september, 16u20:
Was Het Nieuwe Zwart al uit toen we op die Gentse Feesten voordroegen?
Inkomende sms, van Willem, 17 september, 16u28:
Erna denk ik. De foto’s op facebook stammen uit 2010. Al was het er een jaar voor, dan was het toch na het nieuwe zwart. Ga je fijn over die autorit schrijven?

5.
De eerste en enige echte keer dat ik ruzie had met Hanneke was vlak nadat Het Nieuwe Zwart uit was. Het was in Gent. We moesten daar voordragen op de Gentse Feesten. Willem reed. Op de heenweg maakte ik een foto van mij en Hanneke. Je ziet mij vanaf de achterbank over Hannekes stoel leunen. Ik kijk zo blij als een tiener. Hanneke kijkt als iemand die een blije tiener achter zich heeft. Ze lacht en kijkt uit het raam. Het is mijn favoriete foto van ons tweeën.

Op de terugweg hadden we ruzie. Hanneke en ik zwegen heel hard naar elkaar. Willem reed.

6.
Misschien weer een jaar later wilde Hanneke aan een roman beginnen. Of ik mee wilde lezen.
Nu heb ik nooit het idee gehad dat ik iets zinnigs over Hannekes proza kan zeggen (waarvan akte), omdat ik simpelweg fan ben. En het boek in kwestie zou ook nog eens over de Hooiman gaan. Met de Hooiman was Hanneke gelukt waar ik vandaag nog jaloers op ben: het scheppen van een onvergetelijk personage, een personage dat je gaat beschouwen als iemand die je kent, een vriend misschien, een personage waar je aan blijft denken.

Kortom: Ik was er een beetje bang voor. Maar we spraken een paar keer af, zoals het een Nijmeegse schrijver betaamt in de Blaauwe Hand. Hanneke had altijd veel tekst en nog meer twijfels. Ik kon alleen maar zeggen dat ik het fantastisch vond.

Het enige kritische wat ik me herinner gezegd te hebben is: “Hanneke, je kunt een briefje van vijfentwintig gulden [want Hanneke schreef over guldens] niet twintig keer opvouwen.” Daarop haalden we allebei een biljet uit onze portemonnee en bleek dat inderdaad niet te kunnen.

Niet lang daarna mailde Hanneke niet meer. Op Oranjepop, een half jaar later, vroeg ik haar of ze nog aan de roman bezig was. Ze vertrouwde me toe dat ze aan iets anders was begonnen, een nieuwe roman. Dat mocht ik tegen niemand zeggen. Ze glunderde zoals ik haar zelden had zien glunderen.

7.
Op Oerol dit jaar sprak ik met Hanneke over onze eerste en enige echte ruzie. We wisten allebei niet waar die ook alweer over ging. Hanneke zei dat ze me echt haatte op dat moment. Ik weet zeker dat ze, terwijl ze dat zei, haar tenen kromde. Ik deed dat ook.

8.
Dingen die me aan Hanneke doen denken: schrijfwedstrijden, sms-jes, slechte familiefoto’s, slechte trouwfoto’s, slechte foto’s in het algemeen, slechte reclames, lachen om mensen die het overduidelijk niet hebben begrepen, lachen om mensen die niet kunnen lachen om zichzelf, schemerlampen, theeservies, vinyl, The Smiths, oude films, guldens, sarcasme, het goede soort cynisme, Joni Mitchell, mooie mensen, mooi proza, onvergetelijke personages en het cijfer 8.

9.
Tijdens de Affaire zaten Hanneke en ik bij de Baardwaard. We spraken over haar boek, over alles dat er gebeurd was sinds Het Nieuwe Zwart. “Iedereen vliegt uit.” zei ik. En ik vond dat dat klonk als iets wat Hanneke had kunnen zeggen. Hanneke zei: “Hoezo?” En even daarna: “Maar we blijven wel allemaal hier hoor.”

10.
Uitgaande sms, naar Hanneke, 11 september, 00u37:
Ik woon dus nu tegenover de kluis, waar mensen luidruchtig praten. En ik weet zeker dat net iemand zei: “…van Hanneke Hendrix.” Waarop iemand anders zei: “Hanneke Hendrix?”. Het wordt een bestseller, meisje. Of een cult hit. Win/win-situatie.
Inkomende sms, van Hannke, 00u38: Ooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo [99 O’s]
Inkomende sms, 00u38:
(Dat moet afdeling Take Two zijn geweest.)
Uitgaande sms, 00u40:
Maakt geen fuck uit wie het was. Nu hoor ik het weer.
Inkomende sms, 00u40:
Watdanwatdanwatdan?
Uitgaande sms, 00u40:
Het woord ‘boek’, gevolgd door ‘hanneke’.
Inkomende sms, 00u40:
*slaat wijn naar achter*
Inkomende sms, 00u41:
Zeg wil je echt niet nu al je boek?
Uitgaande sms, 00u41:
Ja eigenlijk wel, maar ik vind het ook wel mooi de enige verjaardagen-maagd op dat feestje te zijn. Ik laat het je weten.
Uitgaande sms, 00u41:
Ah nee. Ik hoorde nu de titel. Haha.
Inkomende sms, 00u41:
Nee echt?
Inkomende sms, 00u41:
Ik slaap er slecht van
Inkomende sms, 00u42:
Gek hoor
Inkomende sms, 00u42:
Dat debuteren.
Uitgaande sms, 00u44:
Ja, het is een hel. Maar wat een fantastische hel.
Inkomende sms, 00u44:
Is
Inkomende sms, 00u44:
Is

11.
Hanneke. Ik ben heel erg benieuwd naar je boek, maar ik heb er geen seconde aan getwijfeld dat het fantastisch gaat zijn. Ik wist ook dat, als ik het al gelezen had, ik er waarschijnlijk weer geen zinnig woord over had kunnen zeggen. Behalve iets met heel veel o’s. Ik ben nog steeds fan. Dus ik zeg liever iets over de auter en dat ik vreselijk trots op je ben. En ik ben blij dat je blijft. Proost.

Ongevraagd advies: Cortina en Leuchtturm 1917

Meeting a person who wrote a masterpiece on the back of a deli menu would not surprise me. Meeting a person who wrote a masterpiece with a silver Cartier fountain pen on an antique writing table in an airy SoHo loft would seriously surprise me.(…) There’s no correlation between creativity and equipment ownership. None. Zilch. Nada.
Hugh MacLeod, Ignore Everybody

Vroeger wilde ik spion worden. Ik had een opklapbare verrekijker, onzichtbare inkt en een horloge dat kleine pijltjes kon schieten (maar niet de tijd aangaf). Niet dat ik fan was van James Bond; ik vond de gadgets gewoon te gek.

Ik werd echter schrijver en dat is een beroep dat je met een pen en velletje papier kunt uitoefenen. Je hoeft nooit iets op te bouwen, aan te sluiten dan wel op te starten: zitten en schrijven, dat is het wel zo’n beetje. (Ik ben ook zines gaan maken om dat ik dan nifty dingen als een vouwbeen, een snijmachine, een rilbord en een langarmnietmachine in huis kon halen).

Schrijvers moeten het met de betere schrijfwarenzaak doen. En ik spring altijd een gat in de lucht als ik dan eindelijk weer eens een fraai exemplaar vind.

Het begon met een queeste naar een map die ik bij Hendrix had gezien. Ze droeg voor uit een map waarvan de rug een klem was. Nooit meer perforeren, altijd mogelijk om simpel de volgorde te veranderen: dat wilde ik ook. Hendrix zei dat ze hem ‘ergens in Utrecht’ had gekocht. Daan Windhorst (o.a. van het geweldige Tostimeisjes)*, in het bezit van dezelfde map, had hem ‘ergens in de negen straatjes gekocht, in een klein winkeltje’.

Na twee mislukte pogingen vond ik een dag waarop Cortina Papier open was en ik in Amsterdam was. Het was het waard geweest. De kleine, volgepakte winkel mag dan niet het grootste assortiment hebben: het is wel een divers assortiment. In elk mogelijk hoekje zijn handige, mooie of gewoon toffe dingen verstopt. De kelder is gevuld met ruim tweehonderd soorten cadeaupapier. Die winkel is een bezoek waard, mocht je ooit in de buurt zijn. En eigenlijk wil ik alles daar wel hebben. Maar ik kwam voor die map en die was er (weliswaar goed verstopt, maar toch).

Het bleek om een Klemmbinder van het merk Leuchtturm 1917 te gaan. En zoals dat gaat werd ik meteen verliefd op Leuchtturm 1917. Allereerst hou ik van logo’s waarin vet en roman fonts worden gebruikt, ten tweede zocht ik een alternatief voor Moleskine. Een paar jaar geleden was ik nog verliefd op Moleskine, maar die liefde onderkoelde toen Moleskine met iedereen begon te flirten. Op zijn laatst sinds het Wellness Journal heb ik het vertrouwen in de relatie opgezegd (al moet ik toegeven dat ik dat niet deed voordat ik een Gardening Journal had gekocht).

Maar nu is er dus Leuchtturm en het is een prille liefde. Qua formaat en uitvoering vrijwel identiek aan de Moleskine met drie belangrijke verschillen:
1) je krijgt er niet van die onzinnige stickers bij, maar gewone etiketten, om op te schrijven wat erin staat. Je moet er maar op komen.
2) De pagina’s zijn genummerd. Fokking handig.
3) Ze hebben naast lijntjes, ruitjes en blanco een vierde variant: met puntjes.
Puntjes! Ik heb geen idee wat ik ermee moet, maar ik vind het te gek. Ik schipper altijd tussen blanco en lijntjes. Misschien is dit een oplossing.

En nee, je wordt inderdaad geen betere schrijver van handige gadgets, maar je mag de schrijver in je best eens belonen met iets leuks. Ahum. Misschien moet ik toch aan het Wellness Journal.

Om te besluiten: mijn uitrusting (met de klok mee):

1) Stabilo Bionic, de fijnste pennen. Punt.
2) Moleskine weekagenda, omdat papieren agenda’s nog steeds de shit zijn, en daarnaast als een soort logboek kunnen fungeren. Ik hou er mijn dagelijkse schrijfdoelen in bij, plak er flyers in van dingen die ik bezoek en maak er to do-lijstjes in. En die laatste zijn toch op papier nog steeds het fijnst. Dat doorstrepen. Met de Stabilo Bionic.
3) Map voor printjes, projecten, ringband, etc. Omdat je die natuurlijk ook moet hebben. Deze gaat al zeker zes jaar mee.
4) Klein zelfgeknutseldmapje met 4 vakjes voor visitekaartjes en stickers. Voor het geval u dat niet doorhad: ik ben gek op stickers. Mijn visitekaartjes ben ik al een jaar kwijt daarentegen.
5) Temporary storage.it: hier zat eigenlijk een notitieboekje in, maar dat heb ik eruit gehaald. Nu is het gevuld met indexkaarten (die ik ook veelvuldig gebruik om op te schrijven) en het kaftje is ook nog eens een ziplock bag waar ik bonnetjes in bewaar, die voorheen een vroegtijdige dood in mijn portemonnee stierven.
6) De good old Moleskine met penhouder van Authentics. (Binennkort te vervangen door het puntjesnotitieblokje).

* Voortschrijdend inzicht bracht naar boven dat het niet Daan, maar Jibbe Willems was. Neemt niet weg dat Daan ook eens het vernoemen waard was.

Over kantoorbenodigdheden gesproken, als uw werkplek nog een vleugje cynisme kan gebruiken: vanaf deze week kunt u prints van LomoPoems te bestellen. Wie dat voor 30 juni doet krijgt er een gratis setje postkaarten bij.

Koop Willem, of ga hem stalken

Zoals uitgesproken tijdens de presentatie van Park 

Willem maakt altijd grappen over het feit dat ik:

1) alles in de wij-vorm schrijf

2) altijd opsommingen maak

Daarom is deze speech gegoten in de vorm van een opsomming, en waar mogelijk in de wij-vorm geschreven.

 

1.

We hebben erg uitgekeken naar dit moment. En in ieder geval een van ons heeft er ook ontzettend tegen opgezien. Dat eerste omdat Willem eindelijk debuteert. Willem was lang ons best bewaarde geheim, maar nu hoeven we ons niet meer in te houden. Over dat tweede: ik herinner me een gesprek met Hanneke, het moet rond de tijd geweest zijn dat Willem zijn contract tekende. Hanneke zei: “Wat moeten we toch in hemelsnaam zeggen als Willem debuteert?” Allebei waren we bang dat we uitgenodigd zouden worden om te spreken. Dat begrijpt iedereen die Willem wel eens heeft horen speechen. Daar kun je niet tegenop.

Op 2 juni 2011 maakte ik een bestand aan met de naam ‘Speech Willem’. Ik schreef vier regels en hield het voor gezien. Ik heb het bestand in het halfjaar dat daarop volgde vaak geopend en naar een knipperende cursor gekeken. Op 4 februari 2012 kwam het mailtje:

Ha Dennis,

Ik zou het super vinden als je zou willen optreden op mijn boekpresentatie. Ik denk aan iets van tien minuten. Maar er is dus niet echt budget. Het zou mooi zijn als ik iedereen een drankje aan kan bieden, maar dat moet ik nog bekijken. In elk geval krijg je een pintje en een boek en als je wilt een ander boek uit het fonds, en veel liefde.

Ik had het gedaan al had ik moeten bijbetalen, Willem. Dat weet je.

Wat niet wil zeggen dat ik het biertje niet waardeer.

2.

Ik ken Willem nu een jaar of zes. Dat betekent onder andere dat ik erbij was toen hij leerde dat ‘horeca’ een afkorting was. Hij had altijd gedacht dat dat gewoon een woord was, zoals ‘aardappel’ dat is.

Van die zes jaar heb ik Willem het beste leren kennen in de laatste twee. Dat begon met Eerstejaars, een manuscript dat later Dagen van gordijnen, We hebben een vogel nodig, Niet hier en uiteindelijk De overkant zou gaan heten. En vrijwel meteen nadat hij op basis van dat manuscript een contract had binnengehaald, noemde hij het ‘oud papier’.

De Overkant was een verhaal over een jongen, Simon, die vanuit een klein dorp naar de dichtstbijzijnde stad vertrok om te gaan studeren. Het verhaalde over Willem voordat ik hem kende, maar in een stijl die onmiskenbaar de zijne was:

In de supermarkt stond ik met een mandje in mijn hand en begon toen pas na te denken over wat ik kon maken. Zo ging dat regelmatig. Ik werd afgeleid door een jongetje dat op de smalle tegels door de gangen hinkte. Hij neuriede mee met de muziek die uit het plafond kwam en waar je niet omheen kon. Soms raakte hij bijna de producten in de schappen. Er viel niets om, zijn moeder trok hem steeds net op tijd weg.

Ik dacht weer aan het eten en begon, nog zonder idee, willekeurig door de gangen te lopen. Hier en daar stopte ik en staarde even naar de schappen. Op deze manier liep ik onbewust achter een vrouw aan. Toen ze omkeek, bleef ik staan en haalde een willekeurig pak uit de schappen.

Rijst.

Terwijl ik nadacht of dit het moest worden, meende ik Anne tussen de schappen door in een andere rij te zien. Haar jas en haar haren. Ze liep met een karretje naar achteren. Ik voelde me betrapt. Ik wilde haar niet tegenkomen. Niet hier, niet nu. Ik koos voor de rijst en liep naar voren. Het werd kip met rijst. Met ui, paprika en een groentemix. Vijf ingrediënten, dat was het minimum wat ik mezelf gesteld had.

Hoewel de hoofdpersoon Simon heet, zien we Willem hier terug: een jongen die groots drama in kleine dingen ziet (er viel niets om) en een jongen die zichzelf doelen stelt, die beter wil worden. Die twee dingen, en dat ‘groentemix’ schijnbaar één ingrediënt is.

3.

Ik las twee versies van dat manuscript en toen vertelde Willem me dat hij een contract had. En dat hij had besloten een ander boek te schrijven. Dat boek werd Park.

In De overkant leken de vrienden van het hoofdpersonage veel op Willems vrienden, maar was die hoofdpersoon zelf een constructie. In Park is het andersom. Willem is Willem. Het verschil is tegelijkertijd groter en kleiner dan je denkt. En om de vergelijking op scherp te zetten, hier de supermarktscène uit Park:

‘Lenteuitjes?’

De puisterige jongen in supermarktuniform sprak het woord uit alsof het een scheikundige term was. In een hoog tempo begon hij door de winkel te lopen. Ik ging achter hem aan. Vlak bij de ingang verminderde hij vaart, las de kaartjes die op de schappen waren bevestigd en liep toen weer de andere kant op. Hij vroeg het aan de manager. Ik stond ernaast. De manager zei dat ze geen lenteuitjes hadden. De jongen draaide zich naar me toe en schudde zijn hoofd.

‘Het spijt me,’ zei hij en ging weer verder met zijn werk.

De supermarkt lag aan de rand van de nieuwbouwwijk, een paar honderd meter van het park af. Het was een kleine winkel die je maar net een supermarkt kon noemen. Drie kassa’s en een balie voor kranten en sigaretten. Telkens verbaasde ik me over wat er allemaal ontbrak. Nu waren lenteuitjes niet iets wat ik regelmatig at, maar ik wilde een recept proberen dat ik op internet had gevonden. Even twijfelde ik wat ik moest doen en pakte toen maar gewone uien.

Dit keer komt de hoofdpersoon voorbereid naar de supermarkt, maar laat die het afweten. Waar Simon zichzelf begon te verliezen in een nieuwe wereld, wil Willem er één bouwen, veroveren, maar lukt hem dat niet, niet zoals hij wil. Maar dat moet u zelf maar lezen, ik wil niet te veel verklappen. Daar is het boek te goed voor.

Laten we het er dus maar hebben over waarom het zo’n goed boek is.

4.

Wat het zo’n goed boek maakt zijn Willems oog voor detail en zijn perfectionisme. In de tweede zin van het boek moesten de ruitenwissers op de laagste stand. We hebben er lang over gediscussieerd of het nu motregen, natte sneeuw, lichte regen of misschien wel mist moest zijn.

Er zijn boeken met schietende helikopters en ontploffende auto’s. Er zijn boeken waarin geweld en intriges de hoofdmoot zijn. En er zijn boeken zoals Park, waarin het om het juiste type neerslag gaat.

Ik moet daarbij denken aan een workshop experimentele muziek die ik ooit bijwoonde. We werden in groepjes verdeeld en moesten met dozen, potjes en stokjes muziek maken. De muziek moest over een emotie gaan die we op een kaartje kregen uitgedeeld. Mijn groepje had ‘woede’ en vrij voorspelbaar sloegen we de dozen kapot. De workshopleider kwam naar ons toe met een briefje. Hij keek recht voor zich uit en scheurde het blaadje gecontroleerd in stukjes. Hij zei: “Dit is ook woede.”

Tijdens de selectiedagen van Creative Writing vroeg een aspirant-student aan Willem waarover hij schreef. Hij zei: “Ik schrijf in ieder geval niet over emoties, want uhm… daar ben ik niet zo goed in.” Wat hij bedoelde is dat hij niet op dozen slaat. Willem scheurt minuscule stukjes van het papier af, beetje bij beetje. En uiteindelijk sta je als lezer naar een handvol confetti te kijken. Feest is anders, maar goed is het wel.

Willem ziet het drama in de manier waarop iemand aan zijn of haar thee nipt, in de plaats van de pijnlijke stiltes in een gesprek en in de bewoordingen van sms’jes. En ja, Park is het zoveelste boek van een debutant dat op diens eigen leven gebaseerd is, maar het is meer dan weer een verhaal van een twintiger die met zijn ziel onder de arm loopt. Door over zichzelf te schrijven, schrijft Willem eigenlijk over ons allemaal. Het is geen omweg, maar de meest directe route. Park gaat over ons eigen onvermogen, over onze eigen vriendschappen.

Zonder moeilijke woorden.

5.

Volgens de schrijver Frederick L. Collins zijn er twee soorten mensen: mensen die een ruimte binnenkomen en zeggen “Hier ben ik dan” en mensen die een ruimte binnenkomen en zeggen “ah, hier zijn jullie.”

Ik val in die eerste categorie. Willem in de tweede. (Met uitzondering van de lunchpauzes bij de Wintertuin waar hij altijd een halfuur lang zoveel mogelijk high fives verzamelt met zijn slechte grappen.)

Het maakt ons een raar stelletje, want naast collega’s zijn we vrienden. Vrienden die wel eens kibbelen alsof ze getrouwd zijn. Het is een vreemde combinatie.

Maar Willem herinnert me er altijd aan wat opletten betekent, dat je nooit hoeft op te houden met je over dingen te verwonderen. Willem herinnert me eraan wie we zijn als we podium en pose vergeten. Aan wat er overblijft als we het toneelspel achterwege laten.

Ik heb altijd gezegd dat iedereen een eigen Willem moet hebben. Dat moment is er nu. U kunt Willem mee naar huis nemen, op uw nachtkastje leggen, in uw boekenkast of tussen de familiefoto’s zetten, maar vooral ook lezen. En ook niet onbelangrijk: u kunt Willem cadeau doen. De wereld wordt er beter van.

6.

Tot slot: ik ben voornemens om mijn volgende bundel af te sluiten met een gedicht dat ik van Willem heb gestolen.

Hij sms’te me dit:

Ik ben wat later vertrokken,
maar wel al onderweg.

Ik ben blij dat je er nu bent, Willem.

Op ons, op jou, op Park. 


Park is verkrijgbaar! Onder andere hierhierhier en hier. En ook als e-book.
En Hanneke schreef ook een speech