Wij waren noodgevallen

Set Fesival Mooie Woorden

Vijf jaar geleden schreef ik een ongevraagd advies over Buddy Wakefield. Dat (niet al te goed geschreven) stuk sluit ik af met: “Ik heb het gevoel dat Wakefield erg veel invloed gaat hebben op wat er van mij gaat komen de komende weken, maanden, whatever.” Dat bleek een grove onderschatting.

Zonder Buddy Wakefield hadden mijn bundels er anders uitgezien. Of waren ze er misschien wel niet geweest. In de laatste versies van het manuscript dat ik en mijn mensen zou worden miste er volgens mij nog iets, een gedicht. Hoe dat eruit moest gaan zien wist ik niet, maar dat mijn ‘Human the death dance‘ moest worden wist ik wel. Ik ben dat gedicht toen uit mijn hoofd gaan leren en niet veel later schreef ik de laatste versie van ‘De Kolchoz II‘. Volgens mijn redacteur was dat het gedicht ‘the rug that ties the room together.’

Wat betreft schering en inslag: de hele toon van die bundel was anders geweest, grimmiger wellicht, zonder ‘We were emergencies’ van Buddy Wakefield (zie helemaal onderaan dit bericht). Een citaat uit dat gedicht is dan ook het motto van de bundel:

We were never tragedies.
We were emergencies.
You call 9 – 1 – 1.
Tell them I’m havin’ a fantastic time.

Komende zondag sluit Festival Mooie Woorden af met een programma over helden en idolen. Ik ben gevraagd om werk van mezelf en van Wakefield voor te dragen. Ik maakte daarvoor een vertaling van ‘We were emergencies’, maar besloot om toch het origineel voor te lezen. Wakefield werkt nou eenmaal beter in zijn eigen taal. Ondanks dat, hieronder de vertaling. 

Lees verder

Schering en omslag (Joeri van Putten zwaait af)

Afscheid StadsdichterschapGisteren nam ik afscheid van het stadsdichterschap in Nijmegen. Willem Claassen had een fraai programma in elkaar gedraaid met muziek van Jeroen Lazeroms, Rather Real, Kika Sprangers en Aaron en Florian Bevelander. Daarnaast waren er speeches van Henk Beerten, Frank Tazelaar (pdf), Martijn Brugman en Johan Roos. Het was een verrassingsprogramma dus ik wist niet of ik nog geacht werd een woordje te zeggen. Voor de zekerheid had ik een paar woorden over Joeri van Putten in opgeschreven. Joeri staat niet graag in de belangstelling en al helemaal niet in die van applaudisserende mensen.

Hij heeft geluk gehad. Maar dat zou ik graag recht willen zetten. Hieronder die paar woorden.

Vorige week ben ik drie keer geïnterviewd over mijn afscheid van het stadsdichterschap. In die interviews zei ik steevast ‘we’. Dat was geen bewuste keuze, zo voelt het gewoon.

Ik zie ons daar nog zitten, ruim twee jaar geleden, bij een vuurkorf. Ik was net gevraagd of ik stadsdichter wilde worden en vertelde over mijn bedenkingen, dat het stadsdichterschap zoals het er nu lag eigenlijk niets voor mij was. Joeri zei toen: “Daarom moet je het juist doen. Dan gaan we er gewoon iets vets van maken.” Die ‘we’ is sindsdien niet uit dat stadsdichterschap verdwenen: waar mogelijk sleepte ik Joeri erbij.

Hij maakte de postkaarten, posters, stickers, magneten en bouwplaat op. Samen met Joeri hing ik 400 posters op de Waalbrug: 2200 nietjes, 4 uur werk. Binnen 20 minuten waren ze de volgende dag verwijderd. Voor geen van de dingen die we deden, vroegen we immers vergunningen aan.

En nu zit het erop. Ook Joeri van Putten zwaait af. Laatst zaten we samen in de kroeg om er op te proosten. Het was leuk, maar het was een hoop werk.

Coverontwerpen Schering en Inslag

“Maar dat betekent niet dat we geen projecten meer samen kunnen doen.” zei Joeri. Daarop proostten we een tweede keer.

Eind januari verschijnt mijn tweede bundel, schering en inslag, waar Joeri de cover voor maakte. Als je de verschillende omslagontwerpen bekijkt, kun je goed zien hoe Joeri en ik samenwerken.

Ik moet altijd denken aan een citaat van Chuck Palahniuk als ik Joeri’s eerste ontwerpen krijg:

Twenty years ago, a friend and I walked around downtown Portland at Christmas. The big department stores: Meier and Frank… Fredrick and Nelson… Nordstroms… their big display windows each held a simple, pretty scene: a mannequin wearing clothes or a perfume bottle sitting in fake snow. But the windows at the J.J. Newberry’s store, damn, they were crammed with dolls and tinsel and spatulas and screwdriver sets and pillows, vacuum cleaners, plastic hangers, gerbils, silk flowers, candy – you get the point. Each of the hundreds of different objects was priced with a faded circle of red cardboard. And walking past, my friend, Laurie, took a long look and said, “Their window-dressing philosophy must be: ‘If the window doesn’t look quite right – put more in’.”

Joeri is die gast die er altijd meer instopt. Er zijn keren geweest dat ik hem een beetje moest terugfluiten, maar beter dat dan vooruitbranden. Wat kan ik erover zeggen? De man maakt graag uren. En zonder die uren was mijn stadsdichterschap niet geweest wat het was. Dus als u hem ziet, geef hem een applaus. Hij ziet er ongeveer zo uit, maar dan met een snor:

Joeri van Putten

Kutgitaar #5: De Eilanders

Vorige week presenteerden Oscar en ik samen met Johan, Elske, Martijn, Chris en Protuberansen een volle Onderbroek (haha) de nieuwste Kutgitaar! Toen de presentatie voorbij was, ging het brandalarm af. We leven nog.

De nieuwe kutgitaar bevat bijdragen van Chris van Meulebrouck, Maartje Wortel, Brenda Bosma, Frits Prisse, Oscar Wyers, Jan Willem Sterenborg, Dennis Gaens, Elske van Lonkhuyzen, Johan Roos, Toni van Tiel, Martijn Brugman, Daan Doesborgh, Iris Deppe, Vincent Zegveld en Marc van der Holst.

Op de voorkant staat een panda. In het zakje zit een stuk zoethout. Te bestellen door te mailen naar kutgitaar [at] gmail.com.

Mijn bijdrage bestaat naast een Lomopoem uit het gedicht De Eilanders. Dat gedicht komt in licht gewijzigde vorm ook in schering en inslag. Maar deze oerversie van het gedicht blijft dus bewaard in #5 en hieronder.

DE EILANDERS

Het lag aan de paarden die jij wilde aanraken
terwijl ze net te ver weg waren. Het lag aan
de tegenwind die in ons hoofd was gaan zitten.
Het lag aan de schapen of aan de juttersbitter.

Of het was hoe we erachter kwamen dat we allebei
beloftes sparen, hoe hard alles gaat als we elkaar loslaten,
dat we langzaam aan de weg naar huis vergaten,
dat de golven naar ons uithaalden.

Maar jij ziet de dingen graag los van elkaar,
waar ik altijd in alles de samenhang zoek.

Ik was de laatste die van het water wegliep die avond,
halverwege stond de paal waar we op de heenweg
langs waren gekomen. Heel even dacht ik dat jij het was.
Ik had daar graag met jou gestaan, door je haren gestreken,
naar het water gekeken en je verteld:

“Dit is niet het einde van de wereld.
Dit is het strand.”

Ik publiceer me te pletter

Gisteren heb ik een eerste versie van mijn nieuwe bundel, schering en inslag, naar mijn uitgever gestuurd.  Die bundel moet verschijnen in januari. Uit de aanbiedingstekst:

In poëtische snapshots vertelt Gaens het verhaal van Luuk, Lotte, Dani, Dave en de ik-figuur. Hij weeft hun levens aaneen als draden in een weefgetouw. De vooren de achterkant. Met schering en inslag.

We lezen hoe Luuk voorgoed vertrekt, terwijl Dave niet vooruit te branden is. En over Lotte, die kraanwater uit maatbekers drinkt en haar telefoonnummer te vaak aan de verkeerde mensen geeft. Het is ook het verhaal van Dani, die niet anders kan dan dansen en van wat er gebeurt als ze dat niet meer kan. In het midden van alles staat een ik-verteller die het allemaal probeert te duiden.

U begrijpt vast dat het hier zo rustig was, de laatste tijd. Wat niet wil zeggen dat ik niets heb gedaan. Zo kunt u een eerste gedicht, over Dani, uit de bundel lezen op de website van Tzum. Een tweede gedicht over Dani vindt u in de ELLE van deze maand. In de nieuwe Das Magazin staat een gedicht dat nog ter opname in de bundel in overweging is. En tenslotte kunt u ook een column die ik tijdens het vijftigste filosofisch café Nijmegen heb uitgesproken hier nalezen.

U ziet: ik publiceer me te pletter.